Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
206.
kolom des te grooter worden, naarmate de middellijn der buis
kleiner wordt. Eveneens zal, daar bij den bollen vorm de spanning
toeneemt met de kromming, de neerdrukking in eene nauwe buis
aanzienlijker wezen.
Wij zien dus, dat de verschijnselen in de theorie geheel hunne
verklaring vinden en dat de moleculaire spanning aan de oppervlakte
daarin eene voorname rol speelt. Er zijn nog vele andere verschijn-
selen, welke eveneens hierdoor kunnen worden verklaard.
Wanneer een glas tot aan den rand met kwikzilver gevuld is,
kan men, mits het met voorzichtigheid geschiedt, er nog zooveel
bijvoegen, dat de vloeistof boven den rand staat. Deze schijnbare
afwijking van de werking der zwaartekracht, volgens welke het
kwikzilver over den rand zou moeten vloeijen, wordt veroorzaakt
door de vrij sterke moleculaire spanning aan de gebogen oppervlakte
der vloeistof nabij den rand. Men neme hierbij ook wel in aanmer-
king, dat strikt genomen het kwikzilver niet met den wand van
het glas in aanraking is, zooals men zich kan overtuigen, als men
boven op het kwikzilver eene andere vloeistof, bijv. olie of water
schenkt, welke dan tusschen den wand en het kwikzilver doordringt.
Zeer duidelijk kan men de moleculaire spanning aan de oppervlakte
aantoonen door de volgende proef. In eene omgebogen buis van
Fig. 129. den vorm AB (Fig. 129) wordt water geschonken.
Daar het in de nauwe buis hooger moet staan
dan in de wijde, zal het water in de wijde bij ah
staan, als het in de nauwe tot aan het uiteinde o
gekomen is; aan dat uiteinde zal men dan duidelijk
eene holle oppervlakte kunnen onderscheiden.
Voegt men nu in A vloeistof bij, dan zal die bij
O niet uitloopen, maar de holle oppervlakte ver-
mindert van kromming; staat het water in A tot
cdf dus even hoog als o, dan wordt de opper-
vlakte bij O geheel vlak. Schenkt men nu nog
meer water in A, dan zal toch nog het vocht bij
O niet uitloopen, maar meer en meer bol gaan
staan; de spanning aan die bolvormige oppervlakte maakt dan
evenwicht met de drukking, welke door de vochtkolom nd wordt
uitgeoefend. Zal deze proef gelukken, dan zorge men, dat het
buisje B dunne en goed afgeslepen wanden bij o heeft.