Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
184.
speuren. De bal is dus aanmerkelijk ingedrukt geworden, doch
de ingedrukte deeltjes hebben onmiddellijk daarna hunnen oorspron-
kelijken stand hernomen.
Glas is minder veerkrachtig; reeds bij eene geringe verplaatsing
der deeltjes breekt het; in fijne draden gesponnen laat het zich
echter gemakkelijk buigen, doch herneemt daarna zijn vorigen stand.
Lood is zeer weinig veerkrachtig; reeds bij eene geringe verplaatsing
der deeltjes door buigen nemen zij hun oorspronkelijken stand niet
weder in. Veerkracht en hardheid gaan dikwijls gepaard, maar
niet altijd; caoutchouc bijv. is week, doch zeer veerkrachtig.
Wij kunnen niet in alle gevallen, waarin de meerdere of mindere
veerkracht van verschillende stoffen zich vertoont, de wetten nagaan,
maar zullen toch van enkele met een woord gewagen. In de eerste
plaats is melding te maken van de uitrekking, waaromtrent het
eerst door 'sGravesande (1720) en in lateren tijd door Wertheim (1844)
onderzoekingen zijn in het werk gesteld. Daaruit is gebleken, dat
de verlenging l, welke eene elastische staaf door
uitrekking ondergaat, evenredig is met de uitrek-
kende kracht P en met de lengte L der staaf, doch
omgekeerd evenredig met haar doorsnede d, zoodat
men heeft:
waarin ƒ een standvastige coëfficiënt is, die evenwel voor ver-
schillende stoifen eene verschillende waarde heeft. Deze coëfficiënt
is een zeer klein getal; van daar dat men bij voorkeur gebruik
maakt van de omgekeerde waarde i, die men dan doorgaans
door de letter E aanduidt en den modulus van veerkracht
noemt. Uit de bovenstaande vergelijking volgt dan:
F -
Neemt men in deze formule = dat is, onderstellen wij, dat
de staaf de eenheid van doorsnede heeft, alsmede dat Z — L is,
dat wil zeggen, dat de uitrekking der staaf gelijk is aan hare
lengte, dan vindt men E — P; daaruit blijkt, dat de modulus
van veerkracht de kracht aanduidt, die noodig zou
zijn om eene staaf, welker doorsnede de eenheid is, tot