Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vós
voor; de eerste hebben plaats in het midden van Januarij, het
begin van Maart, het laatst van Jiinij en het laatst van September;
de minima vallen in het midden van Februarij en van April, in
het begin van Augustus en in het midden van November. Het
verschil tusschen den gemiddelden jaarlijkschen hoogsten en
laagsten stand bedraagt niet meer dan 3 mm. Onder den evenaar
is de gemiddelde barometerstand 758 mm.; hij neemt toe tot 30° k W
breedte, waar hij 762 mm. is; daarna daalt hij weer tot 756 mm.
nabij de polen.
Ook in den dagelijkschen gang van den barometer is zekere
regelmatigheid op te merken. Onder den evenaar is deze zoo groot,
dat men zich, volgens von Humboldt, zelfs van den barometer zou
kunnen bedienen, om het uur van den dag aan te wijzen. Men
merkt daar twee maxima en twee minima in elke 24 uren op; het
eerste en hoogste maximum heeft plaats des morgens omstreeks
half tien, het tweede des avonds tegen half elf. De laagste stand
valt omstreeks vier uren 's namiddags, een tweede doch minder
laag minimum heeft plaats des nachts na \ier uren. Op noordelijke
breedtegraden is zoodanige regelmatigheid niet te erkennen, omdat
de afwijkingen gewoonlijk veel aanzienlijker zijn. Berekent men
echter de gemiddelden uit vele waarnemingen, dan vindt men, dat
ook in onze streken eene dergelijke regelmatigheid bij den dage-
lijkschen gang is op te merken, en dat de beide maxima plaats
hebben omstreeks half tien 's morgens en tien uren 's avonds, de
minima te vier uren 's namiddags en half vier's nachts. De tijd van
het jaar is echter hierop niet zonder invloed.
Aangaande de oorzaken van de gedurige veranderingen van de
luchtdrukking is weinig bekend. Op den jaarlijkschen en dagelijk-
schen gang oefent stellig de zon invloed uit. De grootere afwijkingen
schijnen in een nauw verband te staan met de richting en kracht
van den wind. Men kan aannemen, dat in westelijk Europa bij
Noordewind en Oostewind de barometer doorgaans hooger staat,
dan bij Zuidewind of Westewind. Daar in onze streken de beide
laatstgenoemde winden, van den zeekant komende, doorgaans
vochtig weder aanbrengen, neemt men veelal bij droog weder een
hoogen barometerstand waar, bij regen en sterken wind een lagen
stand. Daarom vindt men ook doorgaans op barometers, voor
dagelijksch gebruik bestemd, de woorden: zeer droog, vast