Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
137.
dan tot 50 kilometer van de oppervlakte der aarde. Deze uitkomst
is echter hoogst onzeker; uit andere verschijnselen heeft men eene
zes- of zevenmaal grootere hoogte afgeleid.
Men bedient zich dikwijls van den barometer om aanzienlijke
hoogten, zoo als van bergen en dergelijke, te meten. Te dien
einde behoeft men slechts op twee plaatsen gelijktijdige barometer-
waarnemingen te doen; uit het verschil in stand zal men het verschil
in hoogte kunnen berekenen. Wij kunnen hier omtrent den aard
dier berekeningen niet in bijzondorheden treden, maar bepalen
ons tot de opgave, dat, wanneer B de barometerstand is op de
laagst gelegen plaats en h die op de hoogste, beide bij dezelfde
temperatuur en in meters uitgedrukt, het verschil in hoogte, eveneens
in meters, vrij nauwkeurig wordt aangewezen door de formule
h — 18382 {log. D — log. h).
Wij hebben reeds de opmerking gemaakt, dat de stand van den
barometer op eene zelfde plaats aan veranderingen onderhevig is.
De grootte dier veranderingen hangt echter vooral af van de plaats,
waar men zich op de aarde bevindt. Onder den evenaar bedraagt
het verschil tusschen den hoogsten en den laagsten stand niet meer
dan 6 millimeter; het neemt toe, naarmate men zich van den
evenaar verwijdert, zoodat het op onze geografische breedte wel
60 mm. kan bedragen. De laagste stand, dien men bij ons waar-
neemt aan de oppervlakte der zee, bedraagt 725, dehoogste785 1).
Dichter bij de pool is dit verschil nog aanzienlijker. De afwijkingen
zijn doorgaans in den winter grooter dan in den zomer; aanzien-
lijke afwijkingen bepalen zich meestal niet tot eenige of weinige
plaatsen, maar doen zich tegelijk over eene grootere uitgestrektheid
lands, zooals bijv. een groot gedeelte van Europa, gevoelen.
Wanneer op eene plaats de waarnemingen gedurende vele achter-
eenvolgende jaren worden voortgezet en men daaruit de gemiddelden
berekent, dan kan men in den aldus verkregen jaarlijkschen gang
wel eenige regelmatigheid ontdekken. Voor Nederland is volgens
berekeningen van Wenckebach (1811) en Buijs Ballot (1857) de
gemiddelde barometerstand aan de oppervlakte der zee 761 mm. In
den jaarlijkschen gang komen bij ons vier maxima en vier minima

1) In hoogatzeldzarae gevalleu daalt hij nog lager; den 19 Julij 1843
tot 715 mm. Uit Engeland is eens 704 mm. opgegeven.