Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
125.
74. Zwaarte der lucht, — De spankracht der hicht zou ten
gevolge moeten hebben, dat de deeltjes van den dampkring zich
tot in het oneindige van elkander zouden verwijderen, zoo zij niet
door eene andere oorzaak bij de aarde werden gehouden. Deze oorzaak
is geen andere dan de aantrekkingskracht, welke de aarde er op
uitoefent, met andere woorden, de zwaarte der lucht.
Dat lucht, even als in het algemeen alle gassen, zwaar is,blijkt
door de volgende proef. Men neemt een vrij grooten glazen bol,
van eene kraan voorzien, en weegt dien. Vervolgens verwijdert
men met behulp van de luclitpomp, (een toestel, waardoor de lucht
zooveel mogelijk uit een besloten ruimte uitgepompt kan worden
en dien wij later zullen beschrijven) een gedeelte van de lucht,
die zich in den bol bevindt, en sluit de kraan. Brengt men hem
nu op de weegschaal, dan zal men bevinden, dat hij aan gewicht
verloren heeft. Kan door het openen der kraan de lucht weer
binnenkomen, dan krijgt de bol weder zijn vroeger gewicht terug.
75. Drukking der lucht. — De zwaarte van de lucht moet
ten gevolge hebben, dat de luchtlagen welke zich het dichtst bij de
oppervlakte der aarde bevinden, de drukking der hooger gelegene
ondervinden. Daar door eene sterkere drukking het volume geringer
en dus de dichtheid grooter wordt, moeten de benedenste luchtlagen
dichter zijn dan de hoogere; zij zullen des te ijler zijn, naarmate
men zich verder van de aarde verwijdert; de lucht kan echter niet
in evenwicht zijn, zoo niet de drukking, en dus ook de dichtheid,
in eene zelfde horizontale laag overal dezelfde is. De hoogte van
den dampkring boven de oppervlakte der aarde kan men niet
onmiddellijk w^aarnemen, en men is dus niet in staat langs dien
weg zijn gewicht of zijne drukking op eene bepaalde oppervlakte
te berekenen. Men kan echter het gewicht van den dampkring
proefondervindelijk op de volgende wijze bepalen.
Men neemt eene aan het eene uiteinde toegesmolten glazen buis
CD (Fig. 66) en schenkt die vol kwikzilver. Vervolgens sluit men
iiaar met den vinger, keert ze om, dompefk het onderste uiteinde
in een bak met kwikzilver B en neemt den vinger weg, als dat
uiteinde geheel onder het kwikzilver is. In plaats dat het kwik-
zilver dan door zijn gewicht geheel uit de buis in den bak valt,
blijft de buis, zoo zij kort is, geheel met kwikzilver gevuld;