Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
120.
aan den waterstraal eerst eene volkomen verticale en daarna eene
slechts weinig daarvan verschillende richting te geven. In het
tweede geval, wanneer de neervallende druppels ter zijde vallen,
zal de straal een weinig hooger komen. Als men de opening,
waaruit een verticale straal springen moet, plotseling opent, zal
men ook bevinden, dat de straal in het eerste oogenblik een weinig
hooger springt; dit komt eenvoudig, omdat er dan nog geen neer-
vallende deeltjes zijn.
70. Uitstrooming door pijpen. — De toevoeging van eene
pijp of tuit aan de opening, waardoor eene vloeistof uit een vat
stroomt, oefent een aanmerkelijken invloed op de snelheid en op
de uitvloeijende hoeveelheid uit. Heeft deze tuit denzelfden vorm
als de waterstraal en dus eene eindopening, even groot als de
doorsnede van den straal in het punt zijner grootste zamentrekking
dan zal deze geen invloed op de snelheid uitoefenen. De hoeveelheid
zal dan nagenoeg die zijn, welke volgens de theorie uit deze
buitenste opening moet stroomen; alleen de wrijving tegen de
wanden zal eenige vertraging en vermindering veroorzaken.
Is de opening met eene cilindrische pijp voorzien, ongeveer drie-
of viermaal langer dan de middellijn der opening, dan kunnen er
twee gevallen plaats hebben; öf de straal vult de geheele pijp en
bevochtigt de binnenwanden, óf terstond bij het stroomen door de
binnenste opening heeft er eene zamentrekking plaats en de wanden
van de pijp komen dus niet met het vocht in aanraking. In dit
laatste geval zal de hoeveelheid klaarblijkelijk dezelfde moeten zijn,
als wanneer het vocht door eene opening in den dunnen wand
vloeit; in het eerste daarentegen zal zij grooter wezen en wel,
volgens de waarnemingen, ongeveer 0,84 van de theoretische. De
ondervinding leert ook dat, wanneer de drukking gering is, de
straal den binnenwand bevochtigt, terwijl hij bij eene aanzienlijke
drukking doorgaans daarmede niet in aanraking is.
De aantrekking, welke de wanden van de pijp op de vochtdeeltjes
uitoefenen, en die dus oorzaak is van de vermeerdering der uit-
stroomende hoeveelheid vocht, doet zich in nog sterkere mate ge-
voelen bij kegelvormige pijpen. Gebruikt men eene kegelvormige
tuit, waarvan het eerste gedeelte dbdc (Fig. 63) den vorm heeft
van den zamengetrokken straal, terwijl het daarop volgende gedeelte