Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
118.
de voclitdceltjes in liet punt van de sterkste zamentrekking inderdaad
nagenoeg de snelheid v hebben, die door de theorie wordt aange-
wezen en daarom ook de theoretische snelheid genoemd wordt.
Men zou dus de werkelijke hoeveelheid kunnen vinden, door in plaats
van de opening ah de doorsnede cd te nemen; men is echter gewoon
bij de berekening de grootte der opening onveranderd te nemen,
en in plaats van de theoretische snelheid v eene snelheid 0,62 v aan
te nemen, aan welke men den naam van werkelijke uitstroomings-
snelheid geel't.
69. G-edaante van den straal. — Wij hebben gezegd, dat
de straal, die uit eene kleine cirkelvormige opening stroomt, voorbij
het punt der sterkste zamentrekking cilindrisch blijft. Wanneermen
echter uit eene zoodanige opening in een horizontalen wand een
waterstraal verticaal naar beneden laat stroomen, bemerkt men,
dat de cilindrische gedaante zich slechts over een gedeelte uitstrekt,
terwijl zich verder verbreedingen en vernauwingen, of zooals men
ze veelal noemt, buiken en knoopen vertoonen, zooals in fig, 61
is aangeduid. Nauwkeurige waarnemingen, door Savart (1833) in
het werk gesteld, hebben doen zien, dat het gedeelte AB, dat
doorschijnend is, eene kegelvormige gedaante heeft, zoodat de
middellijn bij B een weinig kleiner is dan die in het punt van
de zamentrekking, terwijl de verbreedingen en vernauwingen in het
onderste gedeelte, dat zich troebel voordoet, bestaan uit eene
menigte groote druppels, door kleine afgewisseld, zooals in fig. 63
is aangewezen. Men kan zich hiervan overtuigen, door den straal
slechts een uiterst klein oogenblik, bijv. door eeneelectrischevonk
te verlichten; men kan dan de druppels onderscheiden en zich
overtuigen, dat alleen door de schielijke opeenvolging van deze op
het oog een indruk gemaakt wordt, zooals fig. 61 voorstelt. De
reden, waarom de straal in afzonderlijke druppels overgaat, zullen
wij later trachten aan te wijzen, als wij de moleculaire werkingen
tusschen de vochtdeeltjes hebben leeren kennen. Dat het gedeelte
AB geen zuivere cilinder kan wezen, maar bij B eene kleinere
middellijn moet hebben dan bij A, is een onmiddellijk gevolg van
de werking der zwaartekracht, door welke de deeltjes in B eene
snellere beweging hebben dan die, welke zich op hetzelfde oogen-
blik bij A bevinden. De afstand van twee deeltjes, die in twee