Boekgegevens
Titel: Leerboek der Engelsche taal naar Ollendorff's methode
Deel: 4e stukje
Auteur: Stevens, J.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel en Bakker, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8321
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201927
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der Engelsche taal naar Ollendorff's methode
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
ker haar gesprek voort en sprak over (on) verschillende
[various) onderwerpen (subject)', eenigen speelden kaart, rie-
pen: »boer! -vrouw! deze trek (trick) behoort mij!"; anderen
bestelden (to,order of to call for) wijn, welken de knechts
(waiter) brachten, enz. (and so forth). In het begin dacht
de arme man, dat hij droomde (to be dreaming)-, toen hij zich
echter overtuigd had, dat hij goed wakker was (to be wide awake),
riep hij uit (to exlaim R.): »Om Gods en om 'sHemels wil,
ik ben blind, stokblind (stone blind) mijne arme vrouw en kin-
deren!" — Gij kunt denken, hoe men lachte, en hoe hij er uit
zag, toen de lichten weder ontstoken (to light R.) werden.
S38.
Hoelang zal het nog duren, voordat gij met den brief ge-
reed zijt? — Het zal nog een half uur duren, voordat ik ge-
reed kan zijn, want ik moet de factuur (nog) afschrijven. —
Zal het (nog lang duren, voordat uw broeder terugkomt (to
return R,)? — Hij kan niet voor half tien weder hier zijn
(It will be —). — Hoe is de wind? — Nu is de wind oost;
ik geloof, dat het zal gaan vriezen. — Van waar komen al
deze vliegen in eens (alt at once)? — Ik weet niet (I cannot
tell) van waar zij komen; het hindert mij slechts, dat zij er
zijn; want zij zijn zeer lastig (troublesome). — Gaat gij mede
naar mijn oom? — Ik wil medegaan; doch ik zeg u vooruit,
dat ik niet langer dan een half uur blijf; want ik ga om half
zeven naar den schouwburg. — Dat doe ik ook; dus zullen
wij daarover (about that) niet twisten. — Ik ga gaarne vroeg
naar den schouwburg; want ais ik niet geheel vooraan (quite
in front) ben, kan ik niets zien; ik ben geen van de groot-
sten. — Zoo gaat het mij ook; ik ga liever in 't geheel niet
dan te laat. — Waar waart gij gisteren? — Ik was des voorr
middags te huis, en om twee uur ging ik met den spoorweg
naar B. — Ei, ik ook; ik verwonder mij, (dat) ik u niet
gezien heb. — W^aar zult gij heden dineeren? — Ik zou
gaarne op het land dineeren; maar ik houd er niet van om
alleen te gaan. — Zoo gaat het mij (ook); laten wg dus te
zamen naar L. gaan. — Dat zou te ver zijn, vrees ik; mijn
vader heeft gaarne, dat ik (me) om negen uur weder aan het
souper te huis ben. — De mijne ook; ik ben gewoonlijk te