Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
klanken: moeielijk of moeilijk, verfoeielijk of verfoeilijk. Doch
men lassche geene e in na g als ch uitgesproken; daarom
heuglijk, beweeglijk, otitzaglijk; maar altijd degelijk, mogelijk,
dagelijks. Voorts onderscheide men een zinloos (zinledig) gezegde
van een zinneloos (krankzinnig) mensch, en een naamlooze (zon-
der naam) brief van ee7ie namelooze (onnoemelijk groote) smart.
Nog lette men op de tweeërlei schrijfwijze van de woorden:
doren , horen, koren, lantaren, merel en farel naast doorn ,
hoorn, koorn, lantaarn, meerl{e), paarl. Doch men onder-
scheide toorn (gramschap) van (kerk)/ör^«.
169. De zelfstandige naamwoorden, uit twee andere zelfst.
nw. gevormd, krijgen tusschen beide deelen eene ii, wanneer het
eerste deel voorheen eindigde op eene toonlooze e en het tweede
met een' klinker begint: eende-n-ei, duive-n-hok, brugge-n-}ioofd,
of ook als het tweede deel aanvangt met eene h: hondenhok
tegenover hondekot. Wanneer de c van het eerste deel tegen-
woordig niet kan worden weggelaten, lascht men geene n in:
bodeambt, modeartikel.
170. Men rekent, dat het eerste deel van een dergelijk
zelfst. nw. in 't meervoud staat, en schrijft dat deel dus
met en bij:
1. de woorden, wier eerste deel een persoonsnaam is,
die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt en het meerv.
uitsluitend met en vormt, als: boerenwoning, heerendienst,
vrouwenkleed, gravinnenkroon, enz.
2. de woorden, wier eerste deel een mannelijke diernaam
is, die geene samenstellingen met s vormt: drakenbloed, leeuwen-
bek, berenjong. Daarentegen: bokkevel naast boksvel, hondevel
naast hondskop; en met een' vrouwelijken en onzijdigen diernaam:
kattevel, muizevel, paar destaart. Doch ook: muizenval, paar-
denstal, omdat men daarbij stellig aan een meervoud denkt.
3. de woorden, wier eerste deel een zaaknaam is, die bepaald
aan een meervoud doet denken: boekenkast, woordenboek,
flesschenrek, speldenkussen, sterrenkunde, takkenbos.
171. Men schrijft een e tusschen de beide deelen:
I. in woorden, het dagelijksch leven betreffende, wanneer
het eerste deel de gedachte aan een enkelvoud slechts eenigszins