Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
1. Als tusschenletter schrijft men de scli in de werkwoorden:
brieschen, druischen, ruischen; eischen, hij sehen, krijschen;
dor sehen, vorsehen; lesschen, blusschen; lasschen, wasschen;
wenschen en wis sehen en in de woorden tusschen en Paschen.
Doch met s: bruisen, torsen, wassen (groeien) en met eene
x: vleezig en vleezen naast vleesch, glanzig ^x^ glanzen (ww.)
naast glansen (znw.).
2. Als slotletters schrijft men de sch in de zelfetandige
naamwoorden: disch, esch, flesch, mensch, visch, vleesch en vor sch.
Voorts onderscheide men: asch van as (van een wiel), lisch
(riet) van lis (lus), marsch (loop) van mars (kramer, zeil),
mosch (vogel) van mos (plant), rusch (biezen) van Rus,
stroowisch van wis (zeker), \.z.%Q.\i(weitasch)\3.-a tas (hoop), enz.
3. Als slotletter schrijft men de sch aan 't einde der bijvoeg-
lijke naamwoorden, welke van bijwoorden op s zijn gevormd:
fiksch, fluksch, linksch, slinksch, rechtsch, onverhoedsch,
ouderwetsch, onderhandsch , rechtstreeksch , schaar sch, schotsch,
schuinsch, slaaf sch, vergeef sch naast de gelijkluidende bijwoorden
op s. Zoo ook de adjectieven op: lijksch, linksch, waartsch,
van de bijwoorden op: lijks, links, waarts.
Doch met s worden geschreven: bits, spits, flets, dras;
dwars, wars, paars, kras; los, ros, wis en gewis.
Nog lette men op: ras (bijw.), rasch (bijvnw.) en verrassen
(werkw.), op 't telwoord gansch en op trots (zelfstnw., bijw. en
voorz.) naast trotsch (bijvnw.).
d. Inlassching van letters.
168. De woorden op llng, lijk, loos lasschen eene e in,
behalve, wanneer er eene toonlooze lettergreep of eene
1, n, r voorafgaat: mondeling, sterfelijk, moedeloos. Dus niet
in: bodemloos, onmiddellijk, heilloos, toonloos, heerlijk, teerling.
Wanneer het woord vóór lijk eindigt op eene f, s, nk, die
in de plaats komt van v, as, ng of op eene n, voorafgegaan door
een' onvolkomen klinker, is de inlassching willekeurig; men
schrijft liefelijk en lieflijk, vreeselijk en vreeslijk, oorspronkelijk
en oorspro7iklijk, mannelijk en manlijk. Zoo ook na twee-