Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
in oude eigennamen, als: De Ruyier, Van Sj>eyk ^ Van
Zuylen; nooit: De Ruijier, Van Speijk, enz.
b. De Tweeklanken,
155. Daar de el en ij tegenwoordig in de beschaafde uitspraak
denzelfden tweeklank vertegenwoordigen, is *t noodig de regels
te kennen voor 't gebruik dezer letterteekens.
Met eï schrijft men:
1. de woorden, waarin deze tweeklank in *t Nederlandsch met
de scherpe e afwisselt, bijv.: verbreideii—breed, gereed^ al-
reede — bereiden, IJselstein — steen , klei7i — kleen , heil—
heel, weinig (oudtijds: ellendig) — weenen.
2. de woorden, waarin de eï met ag of eg afwisselt: meid—
maagd, geleid, leide—gelegd, legde, gezeid, zeide—gezegd,
zegde, heining (voor hagening) — haag, heien (palen in den
grond slaan) — heg (eig. paalwerk tot insluiting), kei (eig, wig-
vormige steen) — keg, dweil voor dwegel, peil voor pegel,
teil (bord) voor tegel; labbei en klappei voor labbege, klappege
(van labhen, klappen — babbelen).
3. de woorden, waarin eene a of e voor n of 1, tot ei is
overgegaan: peiiizeii voor penzen (Fr. penser), deinzeii voor
denzen, einde soms ende, veinzen voor venzen, heinde voor
hende, feilen naast palen.
155* de vreemde woorden, die in 't Franscb al, el, ol,
eau, é, ée hebben: hei — haie, feit — kapitein —
capitaine, halein — haleine, lamprei — lamproie, prei (aas) —
proie, schalmei — chalumeau^ karwei (werk) — corvee, vallei —
vallée, p(l)aveien — paver, p{l)eisteren — paître. Hiertoe be-
hoort ook 't achtervoegsel teit — té: sociëteit, majesteit.
Schijnbare uitzonderingen op dezen regel zijn: dozijn — doii-
zaine, wijle (sluier) — voile, krijt — craie, daar deze woorden
niet aan 't Fransch, maar aan 't Latijn zijn ontleend.
156. Met ij schrijft men:
de sterke werkwoorden en de woorden, daarmede verwant :
hijten, hijschen, nijgen, enz. Uitgezonderd is 't werkwoord
scheiden. Sommige woorden, verwant met sterke werkwoorden,
die vervoegd worden als bijten, hebben ij, andere el, bij v. bijt