Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
komen afwisselt: beloven—belofte^ broze—bros, grove—grof,
loven—lof. Uitgezonderd zijn: knoopen—knop, koopen-'kocht,
stooten—stotteren, loopen—bruiloft, doove—dof, loover—lof,
looze—los,
2. de woorden, waarin zij in den Hollandschen tongval met
CU afwisselt : goten ^geuten, joken —jetiken, logen—leugen,
zomer—zeumer. Uitgezonderd is bloode naast bleu,
3. alle open lettergrepen van sterke werkwoorden met
uitzondering van loopen en stooten, bijv. (wij) bogen, goten,
vloten, roken ; gebogen, gegoten, gevloten, geroken, enz.
4. de woorden, verwant met sterke werkwoorden, bijv.
stoken naast steken, sproken naast spreken. Maar de werkwoorden,
verwant met sterke werkw. met Ie of ui, als gieten en buigen,
hebben soms ook eene scherpe o, bijv. klooven naast klieven,
voorheen een sterk werkw., zoogen naast zuigen, loochenen naast
liegen, daarentegen : bode naast bieden, logen naast liegen, klove
(zelfst. nw ) naast klieven, vloten (zelfst. nw.) naast vlieten, bogen
(zelfst. nw.) naast buigen, zode (kooksel) naast zieden,
150* Bovendien schrijft men met eene zachte o de woor-
den, die in 't Hoogduitsch u of ii, in 't Engelsch o hebben:
hoter—Butter, klove—Kluft, voor—Furche, molen—Mühle;
hodem—bottom, pook^poker, schoren—to shore, stoven—stove,
Nog schrijft men met de zachte o de vreemde woorden,
waarin de o niet uit au is ontstaan: abrikozen—abrïcot, kom-
foor—chauff oir, ivoren—Ivoire, tronen—trône, kronen—couronne^
tonen—ton.
151. Men schrijft met eene scherpe o:
1. alle woorden, waarin de o door samentrekking van twee
lettergrepen is ontstaan : boomen—bodemen, door en (van eieren)—
doderen, oolijk—oodelijk, zoo—zode (in beide beteekenissen).
2. alle open eenlettergrepige woorden: stroo, vloo,
vrooQxjk), zoo,
3. het achtervoegsel loos en de woorden op genoot: wer-
ke looze, lotgenoot en,
151* Bovendien schrijft men met eene scherpe o de woor-
den, welke in H Hoogduitsch au, äu, eu, in 't Engelsch
ea hebben: boomen—Baum, doopen—taufen, Hoopen—Haufen,