Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
148. Men schrijft met eene scherpe e:
1. alle woorden, waarin de e met el afwisselt: breed naast
verbreideriy eek—eik, heelen—heil, kleen—klein, gereed en al-
reede naast bereiden, steen naast stein bijv. in IJselstein,
2. alle woorden, waarin de ee door samentrekking van twee
lettergrepen is ontstaan: leege ^ ledige, leer en—lederen, mee
(bijwoord, honigdrank, meekrap)—mede, preeken—prediken,
ree—reede, snee—snede, veeren—vederen^ verweer en—verwederen.
3. alle opene eenlettergrepige woorden: thee, zee,
kwee, ree, ee(gade) = huwelijk, dee{moedig) — dienaar. Uit-
gezonderd is hef '
4. de achtervoegsels eelcn, eeren, eczen, cesclie: hou-
weelen, regeeren, Japanneezen, Europeesche, enz.
148* Bovendien worden met eene scherpe e geschreven alle
woorden, welke in 't Hoogduitsch ai of el, in 't Engelsch o
of oa hebben: deelen—Theil, eeden—Eid, weenen—weinen,
weezen—Waise; teenen—toe, hezeeren—sore, zeep—soap.
149. Men lette op de volgende woorden, die alleen in de
schrijfwijze der klinkers verschillen: beren (^verscheurende die-
ren^—beeren {varkens, muurstutten, heiblokken en water-
keeringen), delen (//ijw^v«)—deelen {gedeelten), deegen
{zuurdeegen)—degen (verl. tijd van dijgen en sabel), gene
(voornw.)—geen e {niet-eene), generen {onderhouden)—
neeren gèner), helen {verbergen)—heelen {heel maken),
lenen {leunen)—leenen {ter leen krijgen of geven), leken
{vloeien)—1 e e k e n {niet-geestelijken), rede {verstand, rede-
voering)~T^^At {ligplaats voor schepen), stenen {steunen)—
steenen (mv. van steen), slepen (onoverg.)—slee pen (overg.),
veren (van varen)—veeren {vederen), vegen (werkw.)—veege
{stervende), weken (zelfst. nw. en werkw.)—weeke {zachte),
verweren (verdedigen)—ver weer en (van weder) wezen
(werkw.)—wee zen (zelfst. nw.)
Voorts lette men op de schrijfwijze van kelen (in alle be-
teekenissen), scheede, zweepen, meren, deken (in de
Kath. Kerk).
150. Men schrijft met eene zachte o:
I, de woorden, waarin de volkomen o met de onvol-