Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
naast bidden^ deze—dit^ gelederen—gelidy plegen naast plicht,
zeven naast ziften,
2. de woorden, waarin de volkomen e met de onvol-
komen afwisselt: bezie naast hes, deken naast dekken, even naast
effen y kegel naast kegge (wig), leken (vloeien) naast lekken
(laten vloeien), treken (valsche) naast trekken^ veen naast ven ^
lepel naast leppen,
3. de woorden, waarin de e met eu afwisselt: lenen—leunen;
pehtw—peuluw y sneven—sneuvelen, stenen—steunen,
4. alle open lettergrepen van sterke werkwoorden, uitge-
zonderd heeten (genoemd worden), bijv. stelen ^ nemen ^ lezen,
geven, (wij) bete^i, gebeten^ (wij) reden ^ gereden ^ (wij) heschen,
geheschen, enz. Vroeger waren ook sterke werkwoorden: helen,
kneden y sneven, stenen, teren,
5. de woorden, verwant met sterke werkwoorden: leger naast
liggen, trede naast treden, stekel steken, hevig heffen.
Maar de woorden, verwant met sterke werkwoorden met ij als
bijten, hebben soms eene zachte, soms eene scherpe e:
schrede naast schrijden, kreten naast krijten ^ snede snij den ^
bleeke naast blijken ^ weeke naast wijken, enz.
6. het achtervoegsel heden: waarheden, goedheden, enz.
Men noemt achtervoegsels: lettergrepen, welke niet als
afzonderhjke woorden worden gebruikt, doch dienen, om nieuwe
woorden te vormen. Zulk een achtervoegsel heeft gewoonlijk eene
dubbele e of o, wanneer het den hoofdtoon, eene enkele
e of O, wanneer het den bijtoon heeft of toonloos is.
145* Bovendien worden met eene zachte c geschreven
alle woorden, welke in 't Hoogduitsch of Engelsch e, a of i
hebben: heken—Bach, generen—Nahrung, menig—manch, gele—
gelh, delen—Diele, grepen—Griff, reten—Biss, schemerenschim-
mern; ezel~ass, kever—chafer, teer—tar. Uitgezonderd zijn:
heeren—IIerr, scheeveschief, hegeeren—heg ieren, regeeren—
regieren, leeren—lernen.
Nog schrijft men met eene zachte e de vreemde woorden^
die in de taal, waaruit ze zijn overgenomen, eene e of i
vertoonen: cedel—cédille, ledikant—Ut-de-cami), leveren—livrer,
neger-—negre.