Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
scherpe medeklinkers heeten. Scherp heet ook de k, ofschoon
er geen zachte medeklinker naast staat. De scherpe medeklinkers
komen alle voor in: 't k o f s ch i p.
De 1, m, n, r (molenaar) heeten vloeiende medeklinkers.
De jK en s heeten sisletters.
De h en ch worden in enkele woorden geschreven, zonder
te worden uitgesproken; zij heeten dan stomme medeklin-
kers: thuis, thee, thans, althans, visch, wasschen, enz.
2. De spelregels.
a. De klinkers.
146. De gerekte klinkers worden steeds door twee letter-
teekens voorgesteld: jaar, eer, duur, vier, koor, deur, hoer.
Uitgezonderd is de u voor w: ruw, zwaluw, enz.
Van de volkomen klinkers worden de a en u steeds enkel
geschreven: jaren, staren, huren, vuren.
Uitgezonderd is de a voor tje, die steeds dubbel wordt ge-
schreven: laatje, papaatje. Naatje, de verkleinwoorden van
la (uit lade), papa, Na.
Van de volkomen klinkers worden de e en o in sommige
woorden enkel, in andere dubbel geschreven. Dit hangt
meestal af van de vroegere uitspraak der woorden. Wanneer
namelijk de e voorheen e, 1 of a, dus een enkelvoudige
klinker was, schrijft men de volkomen e enkel; wanneer zij
daarentegen uit el, dus uit een' tweeklank is ontstaan, schrijft
men haar dubbel. Evenzoo wordt de o, die voorheen o of u
(spreek uit oe) was, enkel; die, welke voorheen au, ou was,
dubbel geschreven
De e's en o's, die uit enkelvoudige klinkers zijn ontstian,
heeten zacht; die, welke uit tweeklanken zijn ontstaan,
heeten scherp.
147. Men schrijft met eene zachte e:
I. de woorden, die van dezelfde afkomst zijn als andere,
welke vroeger of tegenwoordig met a of 1 worden geschreven:
beier—haten; dwepen, vroeger dwapen; veer naast varen,
vegen—vagen, weren van dezelfde afkomst als bewaren; bede