Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
Meervoud (voor alle geslachten).
I. De boomen, welke reeds verkocht zijn, hebben weinig
geld opgebracht. 2. Men zag verscheidene boomen liggen,
welker stammeri bij den grond waren afgebroken. 3. Juist
de boomen, welken hij zooveel lof had toegezwaaid, bleken
de slechtste. 4. Wij zagen de boo7nen nog, welke men ter
velling bestemd had.
132. De betrekkelijke voornaamw. die en welke worden zoo-
wel voor personen als zaken gebruikt. Maar den tweeden en
derden naamval mannel. enkelv. wiens en wien, en den derden
naamval vrouwel. enkelv. wie gebruikt men liefst voor perso-
nen. Men schrijft dus gewoonlijk: De heuvel, aan wélks
voet het stadje lag, was schoon begroeid en niet: aan wiens.
Zoo ook: De akker, wellten zij hunne welvaart verschuldigd
waren, lag nu geheel verwoest en niet: De akker, wien,
enz. De derde naamval vrouwel. enkelv. wie komt weinig voor;
liever schrijve men dus: De vrouw, welke hij zijne hand
schonk, dan: wle hij, enz.
133. De voornaamwoorden wie en wat worden ook gebruikt
in den zin van alwie en alwat; zij kunnen dan vervangen worden
door degene, die en datgene, wat. Ze komen alleen in 't man-
nelijk en onzijdig geslacht voor. De verbuiging is:
Mannelijk Enkelvoud.
I. Wie eens steelt, is altijd een dief. 2. Wiens brood men
eet, diens woord men spreekt. 3. Wien de schoen past, trekke
hem aan. 4. Wien de honger plaagt, smaken rauwe boonen
zoet.
Onzijdig Enkelvoud.
I. Wat schoon is, moet eenvoudig zijn. 3. Wat men zijne
redding dankt, dat houdt men in waarde. 4. Wat gij Soet,
doe het goed.
Meervoud.
I. Wie zóó handelen, worden geëerd. 2. WisT werk ge-
reed is, die kumieti heengaan. 3. Wien gij dat gezegd hebt,