Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
Meervoud (voor alle geslachten).
I. De vorsten, Hie allen den overmoedigen nabuur vrees-
den, sloten een verbondi 2. De vorsten, wier landen onmid-
dellijk aan het zijtie grensden, traden allen tot het verbond toe.
3. Vorsten, wien het welzijn hunner 07iderdanen ter harte
gaat, handelen anders. 4. De vorsten, die de dwingeland
had onttroond, spanden tegen hem samen. 4. [met een voor-
zetsel] Noem mij nu eens de vorsten, over wie wij hebben
gesproken.
Men lette op de beginletters van het voornaamw. in de ver-
schillende naamvallen; 1 en 4 hebben d, 2, 3 en 4 met voor-
zetsel w.
131. De verbuiging van het betrekkelijk voornaamw. welke:
Mannelijk Enkelvoud.
I. Door den brand, wélke dezen nacht heeft gewoed, zijn
vele menscheti ongelukkig geworden. 2. De brand, weïks aan-
vang zoo onbeduidend scheen, werd telkens heviger. 3. Toen
brak de brand uit, wélken hij zijn' ondergang had te wijten.
4. De hevigheid van den brand, wélken wij daar aan-
schouwden, valt niet te beschrijven.
Vrouwelijk Enkelvoud.
I. In deze stad, welke zooveel fabrieken telt, zou ik niet
gaarne wonen, 2. Wij vertrokken naar de stad, welker
museen ons waren aanbevolen. 3. Men hield thans de stad,
welke men nieuwe vestingwerken had geschonken , voor onneem-
baar. 4. Het gebeurde in eene stad, wélke ik nimmer had
bezocht.
Onzijdig Enkelvoud.
I.- Het onheil, 'twélk hem overkwam, was 't gevolg zijner
onvoorzichtigheid. 2. Hij vermoedde niets van het onheil,
welks gevolgen hem zoo rampzalig zouden maken. 3. Het
onheil, 'twélk men den val van dit huis wijt, is daaraan
geheel onschuldig. 4. Ook zij spraken over V onheil, van
'twelk de gansche stad vol was.