Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
119. Het woord zelf, dat dikwijls achter zelfst. naamw. en
zelfst. voornaamw. staat, wordt gewoonlijk verbogen:
Enkelvoud.
I. Hij »elve heeft het gezegd. 3. Ik heb het hem »élven
gegeven. 4. Ik heb hem délven gezien.
I. Zij ^elve heeft het gezegd. 3. Ik heb het haar ^ve
gegeven. 4. Ik heb haar sélve gezien.
I. Het kind ^ëlve heeft het gezegd. 3. Ik heb het 't kind
zélve gezegd. 4. Ik heb het kind zelve gezien.
Meervoud (voor alle geslachten).
I. De makers zélve hebben het stuk gezonden. 3. Ik heb het
stuk den makers zelven teruggezonden. 4. Wij hebben de
makers zélve daarover aangesproken.
Men kan ook de uitgangen weglaten en voor alle vormen
schrijven: zelf.
b. Bezittelijke Voornaamwoorden.
120. Het bijvoeglijk bezittelijk voornaamwoord
wordt in 't enkelvoud verbogen als 't lidwoord een, en in
't meervoud als 't lidwoord de.
De verbuiging is dus:
Mannelijk Enkelvoud.
I. Mijn broeder komt morgen thuis. 2. De boeken mAjns
broeders zijn reeds gezondeii. 3. Hij weigerde mijnen broeder
zijnen bijstand. 4. Ik ga mijnen broeder afhalen.
Vrouwelijk Enkelvoud.
I. Mijne gezondheid is niet al te best. 2. Tot herstel
mijner gezondheid ga ik de baden gebruiken. 3. Ik breng
mijne gezondheid gaarne eenig genoegen ten offer. 4. Ik heb
mijne gezondheid zeer zien verbeteren.