Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
Vrouwelijk
Enkelvoud.
I. Zij (ze) heeft het hem vaak gezegd. 2. Ik heh mij haver
aangetrokken. 3. Ik zal haar alle zorg wijden. 4. Ik zal
haar opvoeden als mijn eigen kind.
Meervoud.
1. Zij (ze) deden eene groote wandeling. 2. Drie Jiarer
wilden nog verder gaan. 3. De anderen beduidden haar {ze)
dat zij moesten terugkeeren. 4. Zij hebben haar (ze) niet
verder vergezeld.
Onzijdig
Enkelvoud.
1. Het (zwijn, bijv.) was van uitstekende hoedanigheid. 2.
ontbreekt. 3. De boer gaf het goed voedsel. 4. Fiij verzorgde
het uitstekend.
Meervoud.
r. Zij (ze) werden duur verkocht. 2. ontbreekt. 3. Men
bond hun (ze) de pooten vast. 4. Men wierp hen (ze) in
eene kar.
118. Naast den 2™ naamval op er hebben de persoonl.
voomaamw. eene enkele maal een' vorm op s eindigende, dus:
mijns, ons, uws; zijns, haar, huns. Deze vorm komt voor in
de uitdrukkingen: om mijns zelfs wil, enz. en bij de bijvoegl.
n.iamw. waardig en onwaardig, bijv.: Die handelwijze is zijns
onwaardig.
Het wederkeerend voornaamw. zich komt alleen in den
3en en 4en naamv. voor: Hij gaf zich veel moeite. Zij hadden
zich vergist. Het wederkeerig vnw. elkander heeft in den
2en naamval elkanders, in den Sen en 4en elkander: Draagt
elkanders lasten. Zij gaven elkander de hand. Zij gingen met
elkander daarheen.