Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
' Eerste Persoon
Enkelvoud.
I. Heb ik V u niet gezegdt 2. Gedenk mijner, o. Heer!
3. Mijn patroon schonk mi.) (nie) zijn vertrouwen. 4. Hij
heeft -mij {nte) bedrogen.
Meervoud.
I. Hebben wij {we) 7 u niet gezegdt 2. Gedenk onzer,
o. Heer! 3. Onze patroon schonk ons zijn vertrouwen. 4,
Hij heeft Ons bedrogen.
Tweede Persoon
Enkel- en meervoud.
I. Hebt (jij {(je) V niet gezien? 2. Een uwer 7noet de
schuldige zijn. 3. Ik heb U een groot onrecht aangedaan.
4. Wij gaan met 11 7nede.
In de spreektaal gebruikt men in 't enkelvoud jij of je; in
den 3®° en 4®° naamval: jou of je. In 't meervoud wordt dit:
le, 3e en 4e naamv. jelui of jullie.
117. Het persoonl. voornaamw. van den persoon heeft
verschillende vormen voor het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
Zij zijn:
Mannelijk
Enkelvoud.
I. Heeft h/ij u dit bericht medegedeeld? 2. Ik schaamde mij
zijner. 3. Ik heb hem het boek bezorgd. 4. Ik heb hem
niet wedergezien.
Meervoua.
I. Ztij {ze) doen hunnen ouders veel verdriet. 2. Twee
hunner zijn het ouderlijk huis ontloopen. 3. Men heeft hun
{ze) eene zware straf opgelegd. 4. Men zal hen {ze) naar
een verbeterhuis zenden.