Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
Hoe meer men hem plaagde, hoe kwader (toorniger) hij werd.
Dat zijn de kwaadste (ondeugendste) jongens van de huurt.
Ook een paar tel- en bijwoorden hebben een' vreemden
vergr. en overtreff. trap: veel geld, meer geld, het meeste geld;
weinig geld, minder geld, het minste geld. — Ik doe dat
gaarne, liever, het liefst. Hij kwam daar dikwijls, vaker,
het vaakst of het meest.
Zooals men uit de beide laatste voorbeelden ziet, kunnen ook
sommige bgwoorden een' vergrootenden en overtreffenden trap
hebben. Voornamelijk is dit 't geval met de bijwoorden van
hoedanigheid: Hij heeft hard, harder, het hardst gewerkt.
Zij zongen luid, luider, het luidst. Hij werd streng, strenger,
het strengst berispt.
4:. Het Voornaamwoord.
115. De zelfstandige voornaamw. (zie § 30) zijn man-
nelijk, vrouwelijk of onzijdig, naargelang zij eene zelf-
standigheid aanwijzen, die door een mannel., vrouwel. of onz.
zelfstandig naamw. wordt genoemd. Ze zijn enkel- of meer-
voudig, naarmate zij ééne of meer zelfstandigheden aanduiden.
Ze staan in den 2®", 3«" en 4011 naamval naar den dienst,
dien zij in den zin verrichten.
De bijvoeglijke voornaamw. (zie § 30) komen in geslacht,
getal en naamval overeen met de zelfstandige naamw.,
waarbij zij behooren.
De verbuiging der voornaamwoorden is als volgt:
a. Persoonlijke Voornaamwoorden.
116. De persoonl. voornaamw. van den i^n en 2™ persoon
(zie § 31) hebben voor alle geslachten denzelfden vorm. Men
onderscheidt hierbij dus alleen getal en naamval. Bovendien
heeft het voornaamw. van den persoon in 't enkel- en meer-
voud dezelfde vormen, daar het oorspronkelijke enkelvoud in
onbruik is geraakt en men daarvoor tegenwoordig het meervoud
gebruikt (verg. § 51). De vormen zijn:
2*