Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
3- Wanneer zij van plaatsnamen zijn gemaakt door middel
van er: Jk heb het pakje gehaald bij den Harlinger beurt-
schipper. Zij kochten Weesper moppen.
4. wanneer zij stoffelijke bijvoegl. naamw. zijn en op en
uitgaan: Al draagt een aap een gouden ring; hij is en blijft
een leelijk ding. De matten flesschen bevielen ons uitmuntend.
Doch men denke er aan, dat een stoffel, bijv. naamw. op
seil wel verbogen wordt: Hij droeg een' lakenschen rok; zijne
zutster eene neteldoeksche japon. Zoo ook: een duffelsch pak en
eene duffelsche jas.
5. bij de bijvoegl. naamw. rechter en linker: Hij zat aan
de rechter hand van den gastheer en ik aan diens linker.
Ook laat men gewoonlijk onverbogen:
1. de bijvoegl. naamw., die op en eindigen; vooral verleden
deelwoorden van sterke werkwoorden: Dit waren zij7ie eigen
woorden. In de afgeloopen week is de jacht gesloten. Liefderijk
ontving men den uit zijn land verstooten balling.
2. alle vergrootende trappen (zie beneden § 112): Ik heb
7iooit grooter tuin gezien. Deze rede maakte nog dieper indruk.
111. Rijken zoowel als armen snoeten sterven. Geen' arme
onthield hij zijn steun. Den ijdele lacht men uit, den trotsche
veracht men. De zwarten wonen in Afrika. De Florentijnen
waren i7i de 14^ eeuw verdeeld in twee partijen, die der
Witten en die der Zwarten.
Rijke lieden , zoowel als arme, moeten sterven. De oude huizen
zijn veel sterker dan de nieuwe. Ik verkies dezen korten weg
boven dien langen. Ik had zwarte handschoenen aan en 7nijne
zuster witte.
Men lette goed op, of een bijvoegl. naamw. als zelfst.
naamw. gebruikt is, dan wel, of het zelfst. naamw. dat er
achter behoort, eenvoudig is verzwegen. In het eerste geval
wordt het verbogen als een zelfstandig naamwoord (verg.
§ 91), in het laatste geval behoudt het bijvoegl. naamw. zijne
gewone verbuiging.
112. Wanneer eene zelfstandigheid ^ne hoedanigheid in hooger
mate bezit, dan eene andere, plaatst men achter den stam-
vorm er: Deze plant is frisscher dan die. Die koopman is
TERWEY, Korte Spraakk., 3e druk. 5