Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
uit van een' persoon in zijne betrekking of waardigheid,
dan gebruikt men den onverbogen vorm: Napoleon 1 was
een groot veldheer. Ik heb nooit zulk een goed onderwijzer
gezien. Hij zs een bekwaam beeldhouwer. Ik heb gisteren een
oud vriend vati u gesproken. Drukt het bijvoegl. naamw.
daarentegen de hoedanigheid uit van een' persoon als zoo-
danig, dan bezigt men den verbogen vorm: Een groote
grenadier was Frederik Wilhelm van Pruisen meer waard
dan een professor. Dat is een goede man. Een oude dokter
wekt bij de menschen gemakkelijker vertrouwen dan een jonge.
Gelijk men ziet, blgft in 't eerste geval ook in den 4en
naamv. het woord, dat voor het bijvoegl. naamw. staat, onver-
bogen.
109. Wanneer de woorden: een^ g^^n^ eenig^ menige ieder,
elk, zeker^ zulk, welk, alle en veel voor *t bijvoegl. naamw.
staan, heeft dit in 't onz. enkelv. steeds den onverbogen
vorm: een goed kind, veel oud hout, zeker vreemd land.
Wanneer 't lidwoord het^ 't aanw. voornaamw. dit.^ dat^ 't be-
zittel. voornaamw. mijn, zijn, enz. voorafgaan, kan men soms
tweeërlei vorm gebruiken. Zoo zegt men: het moedig paard en
het moedige paard, dat bekoorlijk landschap en dat bekoorlijke
landschap, mijn oud huis en mijn oude huis. In 't eerste geval
is H den spreker alleen te doen, om de hoedanigheid te vermelden;
in 't laatste vermeldt hij deze, als een middel om de zelfstan-
digheid van eene andere te onderscheiden. Zoo zegt men: Het
moedig paard is de lieveling des menschen. Het moedige 'gaard
rende door, het schrikachtige begon te steigeren. Mijn oud huis
tüordt spoedig afgebroken. Mijn oude huis heb ik verkocht, mijn
nieuwe niet. Het nieuwe huis (waar ik nu in woon) heeft twee
vertrékken meer dan het oude (het vroegere.)
110. Soms blijven de bijvoeglijke naamw. onverbogen. Dit
geschiedt:
1. wanneer zij een deel van 't gezegde uitmaken: Zijn vader
is oud. Zijne ouders zijn oud.
2. wanneer zij door *t lidwoord een van *t zelfst. naamw. zijn
gescheiden: Zoo groot eene opoffering wilde hij zich zelf f ge-
troosten.