Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
des huizes was vertrokken. Hij ontving eene groote som gelds.
Wij sloegen de bewegingen der vijanden gade.
Veelal beteekent het zelfst. nw. in den 2en naamv. de be-
zitter of de bezitting van eene andere zelfstandigheid.
87* Sommige werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden
hebben wel eens een zelfst. naamwoord of voornaamw. in den
2en naamv. bij zich als oorzakelijk voorwerp: Gedenk
onzer ellende. Erbarm u mijner. Ik heb mij zijner ontfermd.
Wees zijner woorden indachtig. Dit is uwer onwaardig. Het is
der moeite niet toaard. Ik was nog vol moeds.
88. Een zelfet. nw. staat in den derden naamval:
I®. wanneer het zonder voorzetsel als belanghebbend
voorwerp voorkomt: Hij weigerde den visscher alle hulp
Ik schonk den vreemdeling mijn vertrouwen. Dat bericht bleef
den man lang onbekend.
Soms is 't belanghebbend voorwerp tevens de bezitter van
eene andere zelfstandigheid, in den zin genoemd, bijv.: De
tranen rolden haar over de tvangen. De wind woei hem door de
haren. Hij drukte zijnen vriend de hand In dat geval kan
men den 3en naamval vervangen door een bezittel, voornaamw.
of door een zelfst. naamw. in den 2en naamval: De tranen
rolden langs hare wangen. Hij drukte de hand zijns vHends.
Deze 3e naamval heet 3e naamval van bezit.
2®. wanneer het als bijstelling voorkomt bij een zelfst. nw.
in den ^^^ naamv.: Wij hebben het Willem^ den huisknecht,
gevraagd,
89. Een zelfst. nw. staat in den vierden naamval:
I®. wanneer het voorkomt als lijdend voorwerp: Hebt gij
den tuin bekeken'i De bouwmeester heeft het bestek gemaakt.
2°. wanneer het wordt voorafgegaan door een voorzetsel:
Wij waren 07itevreden over den afloop der zaak. Wij voeren
met den stroom mede,
3®. wanneer het zonder voorzetsel voorkomt als bepaling van
plaats, van tijd, van hoeveelheid (maat, gewicht, prijs):
Wij traden de kamer binnen. Hij liep de brug over. Daar
vloog hij de deur uit. Het gansche bosch zijn wij doorgeloopen.
Denzelfden morgen nog is hij vertrokke7i. Wij zijn den