Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
Wanneer men deze volzinnen nagaat, merkt men op, dat soms
het zelfstandig naamwoord, en meestal het lidwoord, dat er bij
behoort, van vorm verandert. Dit is niet het gevolg van het
geslacht en getal der zelfst. nw.; koning is altijd mannel. enkelv.
en koningin vrouwel. enkelv. Het komt, doordat die zelfst. nw.
telkens in eene andere betrekking in den volzin voorkomen.
In welke?
De vormen, welke de zelfet. nw. en de daarbij behoorende
woorden aannemen tengevolge van den dienst, welken zij in
den zin doen, heeten naamvallen.
Men ziet, dat niet elke betrekking een' eigen vorm heeft; bij
verschil van betrekking blijft toch soms de vorm dezelfde.
85. Niet alleen de lidwoorden, maar ook de bijvoegl. nw.,
de bijvoegl. vnw. en de telwoorden veranderen van vorm,
wanneer de betrekking van het zelfst. nw. verandert. Men zegt
daarom, dat al deze woorden in denzelfden naamval staan, als
het zelfst nw., waarbij zij behooren.
86. Een zelfet. nw. staat in den eersten naamval:
1°. wanneer het onderwerp is: De grond dreunt. Het
huis schudt.
"Wanneer het zelfst. nw. de naam is van den aange-
sproken persoon, wordt het ook gerekend in den len naamv.
te staan: Beste Vriend! Goede God!
2". wanneer het met een koppelwerkwoord het gezegde
uitmaakt (Verg. § 20): Die man is de vriend mijns vaders.
Hij zal de opvolger zijns ooms worden. Jan llijft de steun
zijner moeder.
3». wanneer het als bijstelling (Verg. § 9) voorkomt bij
een zelfet. nw. in den i®" naamval: De heer A., de eigenaar
dier landerijen, heeft ook dat stuk grond gekocht. Dit is mijn
neef, de iabaksverkooper.
87. Een zelfst. nw. staat in den tweeden naamval, wan-
neer het zonder voorzetsel als bepaling bij een ander zelfst.
nw. staat. Uitgezonderd is echter het geval, dat het zelfst. nw.
bijstelling is. Bijv.: De vreeze des Heeren is het beginsel der
wijsheid. De haren zijner moeder werden reeds grijs. De heer
4*