Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
zijn, naarmate zij mannelijke of vrouwelijke wezens beteekenen:
erfgenaam, gade, gast, getuige, ^ids, maag, lidmaat, peet,
verwant, wees; de samenstellingen met genoot: echtgenoot; de
woorden op ling: lieveling, leerling, benevens de diernamen
hokkeling (eenjarig kalf),/z«^, tortel. Jongeling, ouderling en
gieteling (meerle) daarentegen zijn mannelijk, schoon de beide
eerste voorheen ook gemeenslachtig waren. Bode is meestal
mannelijk; dienstbode is gemeenslachtig; voor vrouwelijke boden
gebruikt men ook: bodin en bodes.
Soms voegt men achter gemeenslachtige persoonsnamen eene
toonlooze e, wanneer zij vrouwelijk zijn: echtgenoote, weeze,
vreemdelinge, erfgename.
81. Zelfslachtige zelfstandige naamwoorden heeten die
diernamen, welke steeds óf mannelijk óf vrouwelijk worden ge-
bezigd , zonder dat men 't natuurlijk geslacht in aanmerking
neemt. Hiertoe behoort ook mensch, M.
Zoo zijn altijd mannelijk: arend, das, eland, haai, kabel-
jauw, olifant, valk, vos en zwaan; altijd vrouwelijk: eend,
kraai, mug, muis, vlieg, wesp, zwaluw. Zooals men ziet, zijn
de eerste namen van sterke dieren, de laatste die van kleinere,
zwakkere. Doch vrouwelijk zijn ook: gans, raaf, slang, en
mannelijk: baars, nachtegaal, spreeuw, vink, kikvorsch en
mol.
82. Aangaande het geslacht der samengestelde zelfstandige
naamwoorden geldt de regel, dat zij 't geslacht van 't laatste
deel der samenstelling bekomen, mits het samengestelde woord
eene soort aanduidt van 'tgeen in dat laatste deel
wordt genoemd: tuindeur, geboortegrond, hondenhok.
Hieruit volgt, dat geene uitzondering op den regel maken:
a. de zelfstandige naamw., die den persoon aanduiden, welke
datgene bezit, wat de samenstelling beteekent, benevens de
samenstellingen, waaraan geheele zinnen ten grondslag liggen,
als: platvoet, roodhuid, zotskap, lachebek, melkmuil, brekespel,
weetniet, durfniet, stokebrand. Zij zijn M. of V., naargelang
zij een' mannelijken of een vrouwelijken persoon beteekenen.
b. de woorden: vierkant, zeskant (O.), die geene soort van
kant beteekenen; roodvonk (O.), dat geene soort van vonk is;
TERWEY, Korte Siwaahk., 3e druk. 4