Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
de namen van landstreken, welke steeds 't lidwoord de bij zich
hebben, zijn V.: de Veluwe, de Betuwe, de Rrim. Daarentegen
blijven plaatsnamen, waarvan 't lidwoord een deel uitmaakt, O.;
het bloeiende Den Haag.
5®. de meeste verzamelnamen: bosch, woud, heer leger;
vooral die, welke een bepaald aantal voorwerpen beteekenen: paar,
dozijn, gros, snees (20), schok (60), het honderd enz. Trits is V.
6°. de verkleinwoorden op Je, ke, ken, kïjn, W^n^-. huisje,
boekske, kindekeri, ezelkijn, bloemelijn.
Doch de verkleinwoorden op el, wier oorspronkelijke beteekenis
niet meer wordt gevoeld, zijn M. of V., naarmate de grond-
woorden M. of V. zijn. Zoo zijn eikel, beukei, droppel, knokkel,
M. en kruimel, mazel, pukkel, trommel, V. evenals hunne
grondwoorden.
7®. sommige woorden, die met geringschatting gebezigd wor-
den: heer, mensch, manspersoon , vrouwspersoon, vrouwmensch,
school, schilderij. Zoo ook: die soort, (V.) en dat soort, het uur
en de ure, het oogenblik en de oogenblik (M.)
77. Wegens hunnen vorm, gedeeltelijk ook met onder-
scheiding der beteekenis, zijn onzijdig:
1°. de woorden op schap, wanneer zij eene landstreek ot
eene waardigheid aanduiden. Ook enkele woorden, die eene
verzameling beteekenen. (Zie § 76.)
2°. de woorden op dom, wanneer zij een gebied of eene
verzameling beteekenen. (Zie § 76.)
3°. de woorden op sel: haksel, blauwsel, schepsel, deksel,
beletsel. Uitgezonderd is stijfsel. V.
4°. de verzamelnamen met het voorvoegsel ge en het achter-
voegsel te: geboomte, gebladerte, gevogelte. Ook die, welke
't achtervoegsel missen: gebroed, gepeupel, gevolg.
5°. de stammen van werkwoorden, die afgeleid zijn door d?
voorvoegsels be, ge, ont en ver of onscheidbaar zijn samen-
gesteld met een bijwoord: begrip, geloof, ontzag, verwijt,
onderhoud, overleg, misbruik. Uitgezonderd zijn: ontvang,
verbouw, verkoop, M.
6°. de stammen van werkwoorden, voorzien van 't voorvoegsel
ge: geloop, gedraaf, gejuich.