Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
teugel, vleugel; stoker, snuiter, gieter, trekker. Uitzonderingen:
griffel, schotel. (V.).
4". de woorden op eni, lm, rni: adem, bezem , alsem ; helm,
halm, storm, vorm.
Uitzonderingen: scherm , (O.) palm, (vlakke hand, lengtemaat,
kruid, V.), doch palm (palmboom, tak, M.), uniform, (V.) helm
(grassoort, V.).
de woorden op liig en ling, wanneer zij geene persoons-
namen zijn: gieteling, haring, paling, kruiling, pippeling,
penning, zilverling, schelling, krakeling, teerling.
Zijn zulke woorden stofnamen, dan behooren zij tot 't vrouwelijk
geslacht: Men heeft de haring gekaakt en de paling ingelegd.
Doch honing is M.
6°. de eenlettergrepige begripsnamen, die werkingen
beteekenen: loop, slag, val, schop, stoot, houw, stand, lach,
zucht, schreeuw, enz.
Zulke woorden zijn V., wanneer zij een voorwerp beteeke-
nen, dat tot de werking in eenige betrekking staat, bijv.: val
(muizeval), gang (van een huis), loop (kippenloop), trap
(wenteltrap), schop (om te scheppen), greep (handvat, handvol,
mestvork).
7°. de woorden op dom, wanneer zij een' toestand betee-
kenen : ouderdom, adeldom, wasdom, rijkdom. Adeldom en
rijkdom zijn ook M. als verzamelnamen.
Doch deze woorden zijn O., wanneer zij eene verzameling
beteekenen: menschdom, engelendom, godendom. Christendom,
Jodendom , of een gebied te kennen geven: hertogdom, vorstendom.
Men onderscheidt: eigendom (recht van bezit) M. van eigendom
(Ijezitting) O. Men betwistte hem den eigendom van dat stuk
grond. Dat stuk grond is het eigendom van zijn' broeder.
74. Wegens hunne beteekenis zijn vrouwelijk:
1°. de namen van vrouwen: fohanna, zuster, grootmoeder
en van vrouwelijke dieren, waarnaast eene afzonderlijke
benaming voor het mannetje bestaat, als: duif, geit, ooi, naast:
doffer, bok, ram. Ontbreekt een afzonderlijke naam voor het
mannetje, dan kan de diernaam mannelijk of vrouwelijk zijn.
2°. de ütofnamen, die niet onzijdig zijn: klei, boter, kaas,