Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Zeer zelden leest men de sterke voxm^-a.-. green ,gegrenen ,
heeg, gehegen, kreesch, gekreschen, bezweem, bezwemen.
(52. Nu eens zwak, dan weer sterk ziet men vervoegd:
schrikken (onovergankelijk) — schrikte, schrok — geschrikt,
ireschrokken
schuilen — schuilde, school — geschuild, gescholen
kruien — kruide, krooi —gekruid, gekrooien
spuwen, spugen — spuwde, spoog—gespuwd, gespogen.
63. Een' sterken of zwakken onvolt. verl. tijd naast een
zwak verleden deelw. vindt men van de werkwoorden:
waaien — waaide, woei — gewaaid
jagen —jaagde, joeg—gejaagd
vragen — vroeg — vraagde, gevraagd.
Alleen, wanneer jagen beteekent op de jacht zijn is de onvolt.
verl. tijd altijd jaagde.
64. Sommige werkwoorden, die in den infinitief denzelfden
vorm hebben, hebben verschillende beteekenis en verschil-
lende vervoeging. Zij zijn:
verschrikken (onoverg. dus: een' schrik krijgen) gewoonlijk
sterk: Ik verschrok, ben verschrokken.
verschrikken (overg. dus: schrik aanjagen^ is zwak: Men
verschrikte hem, heeft hem verschrikt.
zweren (van eene wonde), zwoor, gezworen
zweren (een' eed afleggen), zwoer, gezworen,
scheren (snijden) is sterk: Hij had haar noch baard geschoren.
De heg was geschoren. Hij schoor de schapen.
scheren (.gaan, vliegen) is zwak: De zwaluw scheerde langs
't watervlak. Hij scheerde zich weg. Ook gekscheren is zwak:
Hij meende 't niet; hij heeft maar gegekscheerd,
scheppen (maken, voortbrengen) is sterk: schiep, geschapen,
scheppen (putten) is zwak: Hij schepte ivater; dus ook: Hij
schepte behagen, vermaak in iets.
tijgen (valsch beschuldigen) is zwak. Dit werkwoord komt
alleen voor in: iemand een misdrijf, eene misdaad, enz. aan-
tijgen.
2*