Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
wreken — wreekte — gewroken
weven — weefde — geweven
zieden — ziedde —gezoden
bakken — bakte — gebakken
lachen — lachte — gelachen
laden — laadde — geladen
malen — maalde —gemalen
was sehen — waschte —gewasschen
bannen — bande — gebannen
spannen — spande — gespannen
spouwefi (splijten) — —gespouwen
vouwen — vouwde — gevouwen
zouten — zoutte — gezouten
braden — braadde — gebraden
raden — raadde — geraden
brouwen — brouwde — gebrotiwen
stooten — stootte —gestooten.
In deftigen stijl gebruikt men nog wel de sterke vormen:
wiesch en ried, stiele Hij wiesch zijne handen in onschuld. Ik
ried hem, kalm te zijn. Napoleon stiet het hoofd in Rusland.
Bij dichters leest men ook: loech en loegen voor lachte en
lachten. Het werkwoord zieden (koken) komt in de schrijftaal
hoofdzakelijk in den onvolt. tegenw. en den onvolt. verl. tijd
voor: Hij ziedt, ziedde van toorn. Het verleden deelwoord
komt voor in de uitdrukking: gezoden en gebraden.
Het werkwoord bersten of barsten wordt vervoegd:
bersten, barsten; berstte, barstte, borst; geborsten, gebarsten.
61. Geheel zwak vervoegt men tegenwoordig de vroeger
sterke werkwoorden:
(zich't beigen — belgde — gebelgd
helen (verbergen) — heelde —geheeld
grijnen (grienen) —grijnde —gegrijnd
hijgen — hijgde ~ gehijgd
kr ij sehen — krijschte —gekrijs cht
vrijen — vrijde —gevrijd
{^t)zwijmen — bezwijmde — bezwijmd.