Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
ken toestand het onderwerp is gekomen, dan gebruikt
men zijn: hij is gevallen, de bloem was verwelkt, het kind
was gestorven.
De werkwoorden, die een gaan uitdrukken, met uitzondering
van gaan zelf, worden met hebben vervoegd, wanneer men
alleen denkt aan de verrichte werking: Ik heb dien heelen
middag geloopen, gevaren, gereden, gespoord. Zij worden met
zijn vervoegd, wanneer men denkt aan 't gevolg van de
werking: Ik ben naar Utrecht geloopen, gevaren, gereden,
gespoord, enz. Gaan kan alleen in 't laatste geval worden ge-
bruikt : Hij is naar Utrecht gegaan.
58. De lijdende vorm der overgankelijke werkwoor-
den wordt gevormd, door de verschillende tijden van het werk-
woord worden, gevolgd door het verleden deelwoord van
het overgankelijke werkwoord. Onvolt. teg. tijd: ik word
beloond; Onvolt. verl. tijd: ik werd beloond; Onvolt. toek.
tijd: ik zal beloond worden; Onvolt. verl. toek. tijd: ik
zou beloond worden. Daar het werkwoord worden met zijn wordt
vervoegd, moesten de voltooide tijden eigenlijk luiden:
Volt. teg. tijd: ik ben beloond geworden.
Volt. verl. tijd: ik was beloond geworden.
Volt. toek. tijd: ik zal beloond geworden zijn.
Volt. verl. toek. tijd: ik zou beloond geworden zijn.
Intusschen wordt in den regel het deelwoord geworden wegge-
laten en luiden deze tijden dus: ik ben beloond, ik was belootid,
ik zal beloond zijn, ik zou beloond zijn.
Daardoor hebben de voltooide tijden van den lijdenden
vorm der overgankelijke werkwoorden denzelfden vorm als
diezelfde tijden der onovergankelijke werkwoorden, bijv. hij
is verdreven, hij is gevallen; hij was veroordeeld, hij was
gestorven; het werk zal afgemaakt zijn, het werk zal mislukt
zijn, enz.
59. Het tegenwoordig deelwoord van een werkwoord wordt
steeds gevormd door end(e) of nd(e) achter den stam te plaatsen:
hoor-end, werk-end, zie-nde, gaa-nde.
60. Sommige sterke werkwoorden hebben een' zwakken
onvolt. verl. tijd. Zij zijn:
TERWEY, Korte Spraakk., 3e druk. 3