Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
WIJ waren
gij waart
zij waren
Aantoonende wijs.
ik zal
hij zal
wij zullen
gij zult
zij zullen
ik zoude, zou
hij zoude, zou
wij zouden
gij zoudt
zij zouden
wij waren
gij wäret
zij waren
Zullen.
Onvolt. teg. tijd.
Aanvoegende wijs.
(ontbreekt)
Onvolt. verl. tijd.
(ontbreekt)
De gebiedende wijs luidt: heb, hebt; wees, weest oi zijt.
Van zullen ontbreekt deze vorm.
De verleden deelwoorden van hebben en zijn luiden
gehad en geiveest. Van zullen ontbreekt het verleden deelwoord.
57. De vraag, of men ter vorming der voltooide tijden
hebben of zijn zal gebruiken, hangt af van de beteekenis der
werkwoorden.
Is een werkwoord overgankelijk, wederkeerend of
onpersoonlijk, dan gebruikt men steeds hebben: ik heb eene
wandeling gedaan , ik had mij geschaamd, het heeft geregend.
Is een werkwoord onovergankelijk, en zegt men, wat het
onderwerp heeft gedaan, of in welken toestand het zich
heeft bevonden, dan gebruikt men evenzoo hebben: ik heb
geschreid, gelachen, gedanst gewerkt., geslapen, gedroomd,
gesukkeld.
Is een werkwoord onovergankelijk, en zegt men, in wel-