Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
wordt, ook de spreker, dan staat het werkwoord in den
eersten persoon meervoud: Wij gaan heen!
Zijn die zelfstandigheden de aangesprokenen, dan staat
het werkwoord in den tweeden persoon meervoud: Gaat
gij reeds heen , mijne vrienden ?
Behoort onder die zelfstandigheden noch de spreker,
noch de aangesprokene, dan staat het werkwoord in den der-
den persoon meervoud: De vrienden, zij, enz. gaan heen.
. 48. Onder de vormen van het werkwoord moeten nog genoemd
worden: de infinitief en de deelwoorden.
De vorm'van het werkwoord, die dient om de werking alleen
te noemen, die dus de naam der werking is, heet in-
finitief: Werken is goed. Wij gaan wandelen. Hij lag te
slapen.
De vormen der werkwoorden, die de werking voorstellen als
eene hoedanigheid, die dus als bijvoeglijke naamw. kunnen
worden gebruikt, heeten deelwoorden: Stroomende wateren,
afgevallen bladeren. Stelt het deelwoord de werking voor als
aan den gang zijnde, dat heet het tegenwoordig deel-
woord; stelt het de werking voor als afgeloopen, dan heet
het verleden deelwoord.
49. De werkwoorden worden naar hunne verbuiging verdeeld in
twee soorten: sterke en zwakke.
Een sterk werkwoord verandert in den onvoltooid ver-
leden tijd van stamklinker, terwijl 't verleden deelwoord
op en eindigt: loopen, liep, geloopen.
Een zwak werkwoord vormt zijn' onvoltooid verleden
tijd door cle of te, terwijl 't verleden deelwoord eindigt
op d of t: halen, haalde, gehaald; straffen, strafte, gestraft.
50. Om den stam van een werkwoord te vinden, laat men
van den infinitief en weg: loopen—loop. Eindigt de stam op
een' dubbelen medeklinker, dan schrijft men dezen slechts één-
maal: straffen—straf; komt in den infinitief ééne a of e voor,
gevolgd door één' medeklinker, dan verdubbelt men den klinker:
halen—haal, spreken—spreek. Zou er aan 't slot van den stam
eene v of t komen, dan verandert men deze in f en s. Deze
f en s heeten dan onecht: draven—draaf; razen—raas.