Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
ik om twaalf uur te A. zou aankomen of aangekomen zijn. "Welk
verschil bestaat er tusschen de tijden dezer werkwoorden? Geen
ander, dan dat men in H eerste geval spreekt van 't tegen-
woordige, in 't laatste van 't verledene. Vandaar de bij-
voeging verleden in de benaming der tijden.
De tijden, die in de aanvoegende wijs voorkomen, heeten:
1. onvoltooid tegenwoordige tijd: Ik hoop^ dat hij
het doe.
2. voltooid tegenwoordige tijd: Ik hoop^ dat hij ^tge-
daan hebbe.
3. onvoltooid verleden tijd: Ik hoopte toen ^ dat hij het
dede.
4. voltooid verleden tijd: Ik hoopte toen ^ dat hij het
gedaan hadde.
De gebiedende wijs heeft slechts één' tijd: den tegen-
woordigen: Doe datI
46* Wanneer de zin alleen dient, om uit te drukken, wat de spre-
ker zich een oogenblik voorstelt, dus, wanneer men de voorwaar-
delijke wijs gebruikt, kan men de werking voorstellen als aan
den gang zijnde, of als afgeloopen. Men spreekt dan van
1. onvoltooide tijd: Ware hij hier, ik zeide het hem iz: Was hij
hier^ ik zeide het hem of ik zou het hem zeggen, 2. voltooide
tij d: Ware hij hier geweest^ ik hadde H hem gezegd rr Was hij hier
geweext^ ik had het hem gezegd of ik zou het hem gezegd hebhev.
4:7. Wie zijne gedachte in een' zin uitdrukt, spreekt over
ééne of meer zelfstandigheden.
Is de zelfstandigheid, waarover gesproken wordt, de spreker
zelf, dan staat het werkwoord in den eersten persoon enkel-
voud: Ik ga heen.
Is die zelfstandigheid de aangesprokene, dan staat het
werkwoord in den tweeden persoon enkelvoud: Gaat gij
heen, mijn vriend?
Is die zelfstandigheid noch de spreker, noch de aange-
sprokene, dan staat het werkwoord in den derden persoon
enkelvoud: De man^ de vrouw^ het kind^ hij, zij^ het^ men,
enz. gaat heen.
Behoort onder de zelfstandigheden, waarover gesproken