Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
9. Het Voegwoord.
;J9. In § 11 hebben wij gezien, dat de woorden en, of, noch
dienden, om de deelen van een veelvoudig onderwerp,
gezegde, voorwerp of bepaling met elkander te verbinden.
In § 12 dienden de woorden en, of, want, om twee zinnen tot
een' samengestelden zin te vereenigen. In § 13 werden de hoofd-
zinnen en bijzinnen verbonden door de woorden dat, of, wan-
neer, doordat, zoodat. Al deze woorden verbinden dus zinnen
en zindeelen; zij heeten daarom voegwoorden.
Niet alle woorden echter, die zinnen verbinden, zijn voeg-
woorden. In de samengestelde zinnen: De mensch, die zijn'
plicht doet, heeft niets te vreezen. Het paard, waarop hij reed,
stortte gewond neder dienen de woorden die en waarop — op
'twelk ook om den bijvoeglijken zin (Zie § 28) met de mensch
en het paard te verbinden, en toch is het eerste een betrek-
kelijk voornaamwoord en het laatste doet den dienst van
een voorzetsel meteen betrekkelijk voornaamw. Waarom
zijn dit nu geene voegwoorden? Omdat ze nog iets anders doen,
dan verbinden; ze wijzen namelijk ook eene zelfstandig-
heid aan.
40. Tot welke soort van woorden behooren de cursief gedrukte
en waarom ?
Dat is een mooi boek. Het nieuwtje, dat gij daar vertelt,
kende ik al lang. Ik heb dat huis zien bouwen. Men zegt, dat
hij spoedig terugkomt. Ik blijf nog drie dagen. Hij heeft geld
noch krediet. Plotseling stond hij voor mij. Voor ik vertrek, kom
ik nog even bij u aan. De vrouw des huizes kwam voor. Wij
wonen tegenwoordig voor. Eerst ben ik bij hem geweest en toen
bij zijn' broeder. Hij ging juist heen, toen ik kwam.JiV^r^ kunt
gij wel vertrekken. Nu ik zoo ver ben, zal ik wel verder| komen.
Bezint, eer gij begint. Hij was eer thuis, dan ik. Hebt gij uw
werk afgemaakt ? Dan kunt gij wel heengaan. Ik zal nog wachten
tot de volgende week. Wacht, tot ik met mijn plan gereed ben.
Naar men zegt, zal die brug vernieuwd worden. Ik zal in deze
zaak handelen naar eer en geweten. Sedert hij naar Engeland