Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
S* Met Voorzetsel»
37. Wij zaten gezellig in de7t iuin. Mijn vriend is niet
zijne vrouw en kinderen naar Amerika gegaan. De prijs van
die waren was mij te hoog. Ik kom binnen een uur terug. Ik
hen zeer tevreden over zijne vorderingen. Dat bericht is minder
aangenaam voor u. Nu verdween de hoop op herstel geheel.
Hij zat druk te werken. Ik zal trachten te komen.
In deze volzinnen beginnen vele bepalingen met woorden,
welke de betrekking te kennen geven tusschen twee zelf-
standigheden. Zij worden altijd gevolgd door een zelf-
standig naamw. of .zelfstandig voornaamw. en heeten
daarom voorzetsels.
Ora te zien, tusschen welke zelfstandigheden de betrekking-
bestaat, door het voorzetsel uitgedrukt, vragemen: Welke permnen
of zaken^ in den zin opgegeven^ hébhen wat te maken met den
persoon of de zaak^ die achter het voorzetsel is aangeduid? Men
zal dan voor de bovenstaande zinnen vinden, dat er betrekking
bestaat tusschen wij en den tuin^ mijn vriend en zijne vrouw en
kinderen^ de prijs en die waren^ ik en een uur^ ik en zijne vor-
deringen^ dat hericht en w, de hoop en herstel.
Dat het woord te in de laatste zinnen ook een voorzetsel is,
wordt duidelijk, wanneer men daarruede vergelijkt zinnen, als:
Hij is druk aan het werk of: Ik tracht naar bevordering. Werken
en komen noemen eene werking en staan dus in dit opzicht
gelgk met een zelfstandig naamw., dat ook iemand of iets
noemt.
38. Tot welke «oort van woorden behooren de cursief ge-
drukte in onderstaande zinnen en waarom?
Hij gaat uit. Ik ga uit de stad. Wij stonden buiten. Wij ston-
den buiten den kring. Hij liep over de brug. Hij liep de brug
over. Hij liep naar mij toe. Ik woon te Utrecht. Dat werk is
mij te moeilijk. Hij liep met mij mede. Wij klommen tot op den
top des bergs. Hij sprong van den stoel af. De kist viel naar
beneden. Wij kwamen van hoven. Sedert dien dag hebben wij
geen taal of teeken meer van hem vernomen. [Sedert was hij
dood voor ons.