Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
In deze volzinnen komen woorden voor, welke dienen om de
beteekenis van een werkwoord, een bijvoeglijk naam-
woord of een telwoord te bepalen. Ook zijn er enkele
onder, die weer dienen ter bepaling van zulk eene be-
paling. Al die woorden heeten bijwoorden.
Bijwoorden dienen derhalve tot bepaling der beteekenis van
een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een telwoord of een
ander bijwoord.
33* Het verwachte stoomschip is niet aangekomen. Het komt
stellig morgen. Misschien heeft het oponthoud gehad. Gij maakt
u immers niet ongerust? Wees toch kalm!
De woorden niet^ stellig, misschien, immers, toch en dergelijke
dienen niet, om eenige nadere bijzonderheden van de werking mee
te deelen; zij zijn dus geene bepalingen van 't gezegde.
Zij dienen, om den zin tot een' ontkenn enden, stelligen,
twijfelenden, vragenden of wenschenden zin temaken.
Laat men uit den zin: Hij werkte gisteren hard het woord hard
of gisteren weg, dan kent men eene nadere bijzonderheid van
't gezegde minder; laat men uit den zin: Hij werkt niet of Hij
werkt misschien het woord niet of misschien weg, dan krijgt de
zin eene geheel andere beteekenis.
De woorden, die een* zin ontkennend, stellig, twijfe-
lend, vragend of wenschend maken, heeten bijwoorden
van wijze. Men zorge er voor, bij de ontleding van dergelijke
zinnen steeds deze bijwoorden bij het gezegde te voegen, daar zij
immers niet tot de bepalingen mogen gerekend worden.
34. De bijwoorden, welke eene bepaling uitmaken, worden
verdeeld in bijwoorden:
1. van plaats. Zij antwoorden op de vraag: waar? waar-
heen? van waar?
Zij loopen buiten, hier, daar. Zij kwamen hierheen, daarhee7i.
Zij zijn van hier, van daar vertrokken,
2. van tijd. Zij antwoorden op de vraag: wanneer? hoe
lang?
Zij zijn gisteren gekomen. Zij zullen morgen, overmorgen
vertrekken. Zij blijven kort, lang.
3. van hoeveelheid. Zij antwoorden op de vraag: hoe-
veel?
m