Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
den naam of naar eenig kenmerk der zelfstandigheden te
vragen.
Wie loopt daari Welken stok hebt gij daarl Den korten.
Zij zijn: wie — wat, welk, hoedanig, wat voor (een)"!
5. bepalingaankondigende (zelfstandig of bijvoeglijk),
die te kennen geven, dat er een bepalende zin op volgt of achter
gedacht kan worden:
Degene, die zoo handelt, verbeurt ons vertrouwen. Hetgeen
(dat) gij daar zegt, is niet waar. Zulke vriendelijke menschen
(als deze zijn) ontmoet men zelden. Hij is op denzelfden dag
jarig, als ik (jarig ben).
Ze zijn: degene—'tgene, diegene — datgene, zulk, zoodanig,
dusdanig, dergelijk, dezelfde — 'tzelfde.
6. betrekkelijke (gewoonlijk zelfitandig), die een bijvoeg-
lijken zin met een zelfstandig naamwoord of voornaam-
woord verbinden. Zie § 28.
De hond, dien ik gered heb, bleek van den burgemeester
te zij7i. De vriend, met wien hij samenwerkte, is ziek gewor-
den. Zij werden achtergelaten op een eiland, 'twelk geheel on-
bewoond was. Hij heeft een huis gehuttrd in dezelfde straat,
in welke wij vroeger woonden. Dat, wat gij voor goud aan-
ziet, is koper.
Zij zijn: die — dat, wie — wat, welke — Uwe Ik.
7. onbepaalde (zelfetandig of bijvoeglijk), die zelfetandig-
heden aanduiden, waarvan men den naam niet kan of wil
noemen, of die van zelfstandigheden zeggen, dat men ze niet
nauwkeuriger kan of wil bepalen.
Het heeft den heelen dag geregend. Hoe gaat het uw" broe-
der 1 Men moet zijn naaste liefhebben. Iemand heeft het hem
verteld. Niemand wist er het rechte van. Hier heb ik wat
voor je. Het is iets moois. Niets is bestendig. Alles is ver-
gankelijk. Op zekeren morgen bleef hij weg.
Zij zijn: men, het, iemand — niemand, iets — niets, alles,
wat, zeker.
6'. Het Telwoord.
33. Vier manneti trokken het schip voort. Honderden men-