Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
woorden bepalen, door een toevallig kenmerk der zelfetan-
digheden op te geven, zijn bijvoeglijke voornaamwoorden.
Daar veelal dezelfde woorden nu eens zelfetandige, dan weer
bijvoeglijke voornw. zijn, voegt men ze samen onder den naam
van voornaamwoorden.
31. De voornaamwoorden worden verdeeld in:
1. persoonlijke (steeds zelfetandig), die te kennen geven,
of de zelfstandigheid de spreker, de aangesprokene, of
iemand of iets anders is.
In de spraakkunst noemt men den spreker den i^n; den
aangesprokene den wie of wat noch de spreker, noch
de aangesprokene is, den 36" persoon.
De persoonlijke voomaamw. zijn: ik — wij; gij; hij, zij^
het — zij.
Het voornaamwoord zich^ dat vooral bij wederkeerende werk-
woorden voorkomt, heet wederkeerend voornaamwoord:
Hij bedenkt zich. Hij kleedt zich. Hij nam mij met zich mede.
Elkander^ dat gebruikt wordt, wanneer de werking weder-
keerig plaats heeft, heet wederkeerig voornaamw.: Zij
helpen elkander. Zij gaan met elkander daarheen,
2. bezittelijke (zelfstandig of bijvoeglijk), die te kennen
geven, of de bezitter eener zelfstandigheid de le, de 2e of de
3e persoon is.
Zij zijn: mijn — ons; uw; zijn, haar — hun; — de of het
mijne, onze, uwe, zijne^ hare, hunne,
3. aanwijzende (zelfetandig of bijvoeglijk), die te kennen
geven, of eene zelfstandigheid meer of minder ver van den
spreker is verwijderd; en ook, of de zelfstandigheid vroeger
of later genoemd is.
Wilt gij dit boek of dat boek ? De vader wandelde met zijn
zoon. Plotseling geeft deze een' gil. Aan dezen kant van de
rivier staan huizen, aan genen niet. De oude man had in zijn
testament zijn' knecht en zijfie meid goed bedacht: aan genen
vermaakte hij eene boerderij met het omliggende land, aan
deze eefi aanzienlijk legaat.
Zij zijn: deze — dit; die — dat; ge?te,
4. vragende (zelfstandig of bijvoeglijk), die dienen, om naar