Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
5. Het Voormtumwoord.
;iO. a. Ik ga op reis. Gaat gij medel De arme jo7igen moest
thuis blijven. Hij was ziek. De hulp van zijn broeder en van den
mijnen hebben hem gered. Tante heeft nu met den dokter gesproken.
Deze raadt haar eene badkuur te Spa aan. Wie heeft u dat
gezegd? Ee7i onbekende. Men moet niet zoo spoedig iemand
vertrouwen.
b. Naar mijn gevoelen is de man onschuldig. Wilt gij deze
pen of die? Ik verkies dien langen weg boven dezen korten.
Welken weg bedoelt gijl Op zekeren dag moet de dood gewaande
zich eensklaps hebben vertoond.
a. De woorden ik, gij, hij;- de mijne; deze; wie; men,
iemand komen hierin met de zelfstandige naamw. overeen, dat
zij ook zelfstandigheden beteekenen. Zij verschillen echter
hierin van de zelfstandige naamw., dat zij de zelfstandigheden niet
noemen, d. i. de naam daarvan zijn; zij duiden de zelf-
standigheden alleen aan.
Soms behoeven de zelfstandigheden niet genoemd te worden
(Ik heb u gezien. Gij hebt mij niet gezien); soms moeten ze
vooraf zijn genoemd (Ik heb een paard gekocht; het is een
schimmel); soms kent de spreker de namen der zelfetandigheden
niet, of wil ze niet noemen (Daar heb ik wat in de hand;
raad eens!).
De woorden, welke dienen om zelfstandigheden aan te
duiden, heeten zelfstandige voornaamwoorden.
b. De woorden mijn; deze, die; welk; zeker dienen, even-
als de bijvoeglijke naamw., om de beteekenis der zelfstandige naam-
woorden te bepalen. Doch ook hier bestaat een groot verschil.
Bijvoeglijke naamw. drukken hoedanigheden uit; de boven-
staande woorden geven toevallige kenmerken der zelfetandig-
heden te kennen. De woorden^röf/, klein, krachtig, zwak leeren
ons iets omtrent den aard der zelfstandigheden, maar 'tzelfde
boek bijv. kan beurtelings mijn, uw, zijn, dit, dat boek heeten,
zonder dat er iets aan den aard dier zelfetandigheid verandert.
De woorden, die de beteekenis der zelfstandige naam-