Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
In deze zinnen komen woorden voor, die hoedanigheden
der zelfstandigheden uitdrukken. Zij heeten bijvoeglijke
naamwoorden. Geven zij te kennen, van welke stof eene zelf-
standigheid is gemaakt, dan dragen ze den naam van stoffelijke
bijvoeglijke naamwoorden.
De woorden hedendaagsch, vroeger, dagelijksch, achterst,
Utrechtsch geven wel geene hoedanigheden te kennen, maar
toch een zeker kenmerk van de daarbij genoemde zelfstandig-
heden. Daar ze geheel als de eigenlijke bijvnw. worden gebruikt,
rekent men ze ook tot deze soort van woorden.
Zooals men zal opmerken, komen de bijvnw. nu eens als
bepaling bij een zelfstandig naamwoord, dan weer als deel
van 't gezegde voor.
28. Het huis, dat zij be'W07ien, zal spoedig worden afge-
broken = Het door hen bewoonde huis zal spoedig worden
afgebroken. Eene vrouw, die schamel gekleed was, vroeg hem
om eene aalmoes — Eene schamel gekleede vrouw vroeg hem
om eene aalmoes. Een pad, dat zeer smal was, liep door de
weide — Een zeer smal pad liep door de weide.
Evenals wij dit bij de zelfetandige naamw. hebben gezien, kan
een geheele zin ook den dienst doen van een' bijvoeglijk naam-
woord. Men noemt hem dan een' bijvoeglijken zin.
Het Lidwoord.
29. Hier ligt brood. Geef mij een brood. Geef mij't brood ^
dat daar ligt. Er staat een man aan de de^ir, die eene aalmoes
vraagt. Geef den man een' stuiver. Dit is de weg, die naar
Haarlem leidt. Den oudsten jongen van de klasse werd de
boodschap opgedragen.
Vaak plaatst men voor de zelfetandige naamw. de woorden een
en de of'/, het. Ze heeten lid woorden. Het woord gebruikt
men, wanneer men eene willekeurige zelfstandigheid uit eene
reeks van gelijksoortige zelfstandigheden bedoelt; het heet
lidwoord van eenheid. De woorden de, 't of het gebruikt
men, wanneer men van eene bepaalde, d. i. bekende zelfetan-
digheid spreekt; het heet lidwoord van bepaaldheid.