Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
aan kracht. Hij is jong gestorven. Het schip is verongehikt. De
zon scheen fel. Hij scheen wat verlegen. God were tegenspoed
van uw hoofd. Zij weren zich als leeuwen. De man wordt oud.
Hij wordt door iedereen geacht. Wie heeft mijn boek? Ik heb
hem vaak gezien. Er is een God. Hij is te huis. De gemeente
beriep een' predikant. Ik beriep mij op zijn getuigenis. Hij lachte
hartelijk. Men zou zich om zijne grappen een ongeluk lachen.
Hij stak de hand in de opening. Die man steekt in zware
schulden. De bij stak hevig. Hij sloeg uit het raam. De klok
slaat twaalf uur. De knaap was door zijne moeder geslagen.
Het pak woog twintig pond. De kruidenier woog rozijnen. De
vogel schoot door de lucht. Ik schoot een' bok.
2. Het Zelfstandig Naamwoord.
23. De oom schonk zijn neef een fraai ingebonden boek.
Eene pendtile stond op den schoorsteen. Amerika werd door
Columbus ontdekt. De Nederlanders voeren naar Indie. Reinaert
de vos was van ouds berucht wegens zijne listen. Men vindt
in Artis twee zeeleetiwen. Turf en steenkool zijn ontstaan uit
planten. Kalk wordt uit schelpen gebrand. De Engelschen zijn
een ondernemend volk. Er liep veel volk op straat. De herder
bracht de kudde huiswaarts.
In deze zinnen komen als onderwerp, als deel van 't gezegde,
als bepaling of als voorwerp woorden voor, welke dienen, om
iemand of iets te noemen. Wien of wat zij noemen, heeft
een eigen bestaan, bestaat op zich zelf. Die woorden zijn
dus de namen van zelfstandigheden en heeten daarom
zelfstandige naamwoorden.
Naar den aard der zelfetandigheden, welke zij noemen, ver-
deelt men ze in:
a. Eigennamen: namen, die men aan ééne zelfetandigheid
geeft, om ze van alle andere derzelfde soort te onderscheiden.
Jan De Witt, Karei, Azie, China, Etna, Rijn , Rotterdam.
Deze zelfetandigheden hebben behalve den eigennaam, dien zij
alleen dragen, nog een' of meer andere, die zij met andere