Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
uitstekend. Het duizelde mij op het gezicht van dien afgrond.
Het ontbreekt, faalt, hapert hem aan de noodige kennis.
In bovenstaande zinnen staat op de plaats van het onderwerp
'twoord het. Dit is echter slechts het schijnbaar onderwerp;
men denkt immers bij het hooren van dit woord niet aan een'
persoon of eene zaak.
Werkwoorden, die slechts een schijnbaar onderwerp bij
zich hebben, heeten onpersoonlijk.
20. De wind is koel. Zijne ouders waren brave lieden.
Zijne haren werden reeds grijs. Toen werd de wind een hevige
storm. Hij blijft nog steeds de oude knecht. De weg scheen
ons wat lang. Dat neefje van hem lijkt een stumperd. Hij
heet nog wel knap! Die waren bleken bedorven. Deze maat-
regel dunkt mij uitmuntend, komt mij uitmuntend voor.
De woorden zijn, worden, blijven, schijnen, lijken, heeten,
blijken, dunken en voorkomen dienen in de bovenstaande zinnen,
om te kennen te geven, dat men eene hoedanigheid, een'
toestand of eene betrekking aan het onderwerp toekent.
Wij noemen ze in dit geval koppelwerkwoorden.
De koppelww. kunnen niet alleen 't gezegde uitmaken.
Ook deze werkwoorden drukken geene eigenlijk gezegde wer-
kingen uit.
21. Hij werkt. Hij heeft, had gewerkt. Ik val. Ik ben,
was gevallen. Wie zal, zou dat doen? Iedereen veracht hem.
Hij wordt, werd door iedereen veracht.
De woorden hebben, zijn en zullen dienen soms, om te kennen
te geven, dat eene werking gebeurd is, of gebeuren zal; het
woord worden, om den lijdenden vorm van een overgankelijk
WW. te helpen vormen. Zij heeten dan hulpwerkwoorden.
22. Tot welke soorten behooren de volgende curief gedrukte
werkwoorden en waarom?
De krachten begeven hem. Hij begaf zich op weg. Is die post
al begeven 1 De vlakte wemelde van toeschouwers. Het wemelde
op het ijs van schaatsenrijders. Ik vrees hem niet. Wij vreesden
voor storm. Het ijs kraakt. Wij kraakten een nootje. Hij werkt
zich dood. Wij werkten ijverig. De kerel vloekte vreeselijk. De
vader vloekte zijn kind. Zijn schot faalt nooit. Het faalde hem