Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
indien niet: De bevelhebber wilde de stad niet overgeven,
t e n z ij men de bezetting vrijen aftocht toezeide. Hij zou 7iiet
heengaan, tenware me7i hem met geweld daartoe dwong.
Kan mijn dood de rust herstellen, dan offer ik gaarne mijn
leven op. Wil hij niet toegeven, dwing er hem dan toe.
Van de oostzijde gezien, vertoont de rots slechts steil op-
gaande, kalksteenen wanden. Den tijd in aanmerking nemende,
dien hij er aan heeft besteed, kan ik niet zeggen, dat het
werk de moeite loont.
7. Toegevende bijzinnen.
Zij drukken eene gedachte uit, die juist het tegengestelde zou
doen verwachten van 'tgeen in den hoofdzin wordt gezegd.
Ofschoon (schoon) hij er niet mee instemde, had de
schilder schik in dit oordeel. Niettegenstaande hij
nimmer zijne vrouw opzettelijk verdriet zou aandoen, was hij
toch vaak ruw en ongevoelig. Hoewel ik mijn best doe,
merk ik niet, dat ik verder kom. Hoezeer de groote meer-
derheid goed gezind was, kon men toch onmogelijk instaan
voor allen. A l is ons Prinsje nog zoo klein, hij zal alevel
stadhouder zijn.
Zij hij ook rijk, hij is niet gelukkig. Hij moge zijn plan
voor het beste houden, iedereen keurt het af. Wat ook vair,
trouw staat pal. Wie u moge belasteren, ik geloof aan uwe
onschuld. Hoe ernstig de omstandigheden ook waren, zij ver-
loor defi moed niet.
De winter heeft, hoe grijs van kiti, een kleur als melk en
bloed. Door schitterende beloften tot verraad aangespoord,
bleef hij toch de zaak des Konings getrouw.
8. Beperkende bijzinnen.
Zij zeggen hoe ver 'tgeen in den hoofdzin gezegd wordt, reikt,
of geven te kennen, wat men niet bij den hoofdzin moet den-
ken, of drukken iets uit, dat eene uitzondering maakt op 'tgeen
de hoofdzin zegt.
Voor zoo ver ik er reeds over kan oor deelen, bevalt de