Boekgegevens
Titel: Korte Nederlandsche spraakkunst
Auteur: Terwey, T.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
3e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201901
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte Nederlandsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
ijzeren hek opende. Hij wachtte kalm, tot(dai) men hem een
teeken gaf om te spreken. Toen de eerste stap gedaan was,
volgde de rest va7i zelf. Nadat de eerste schrik voorbij
was, zag hij eens om zich heen. Ik kan mij7i verdriet niet
overzien, seder t( dat) of sind s(d at) ik bij nicht
Woelwater gelogeerd ben. Zoo dra de schipper het gesneden
aas in negen bennetjes gelijkelijk heeft verdeeld, begint het
volk te visschen. Zoolang er legers noodig zijn, moet een
volk zijne strijdmacht doelmatig inrichten.
Opstaande, nam hij een pak papieren van zijne schrijftafel.
In mijn hôtel teruggekeerd, hield ik eene samenspraak met mij
zelf. Alvorens de poort binnen te gaan, vervoegt men zich aan
een klein kantoortje.
3. Redengevende bijzinnen.
Zij geven de oorzaak of de reden te kennen van 'tgeen in
den hoofdzin is gezegd en antwoorden op de vragen: waardoor
en waaromi
De redenaar raakte in de war, doordat het publiek
teekens van afkeuring gaf. Voor afzetterij had hij niet te
vreezen, omdat hij niets te verliezen had. Dewij l (wijl)
de zaak van dringenden aard was, besloot ik onmiddellijk te
vertrekken. Daar ik spoedig weer thuis moest wezen, ontbrak
mij de tijd u eens op te zoeken. Daar het weer ophelderde,
wilden wij niet langer blijven.
Thans ouder en wijzer geworden, wist ik mij beter in te
binden dan vroeger. De knecht diende hem aan, door zijti
naam luid uit te spreken.
4. Doelaanwijzende bijzinnen.
Zij geven het doel te kennen van 'tgeen in den hoofdzin is
gezegd en antwoorden op de vraag: waartoe of met welk doel?
Hij maakte des morgens zijn werk af. opdat hij ''s mid-
dags koti gaan wandelen. Ik heb hem gewaarschuwd, ten
e i7i d e hij in 't 7)ervolg voorzichtiger zij.