Boekgegevens
Titel: Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Auteur: Thiel, L.L. van
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8268
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201899
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Werkwoorden, Vervoegingen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
vertrokken waart. Kimt gij (Vert. : zoudt gij iceten) mij zeggen,
hoe laat het is (l'heure qu'il est)?
XX.
»
S'asseoir (gaan zitten).
Temps primitifs: s'asseoir; s'asseyant; assis; je m'assieds, tu
t'assieds, il s'assied; je m'assis, etc.
Van de temps dérivés zijn de Fviur en de Cond. Pres. :
je m'assiérai, etc., je m'assiérais, etc.
De overige temps dérivés worden op de gewone wijze van
de temps primitifs gevormd. Maak ze.
Vervoeg nu het geheele werkw. {Ned. en Fr.), voluit, vol-
gens model VII.
Bestudeer het en zeg het op.
Zitten wordt vertaald door gezeten zijn = être assis.
Daarvoor behoeft men dus slechts het ww. é^re te vervoege n
en overal assis in den vereischten vorm er achter te zetten.
Vervoeg nu être assis, Ned. en Fr., voluit, mondeling.
Nu telkens naast iederen vorm van zitten den overeenkom-
stigen van gaan zitten.
Vervoeg nu den Indic. en den Cond. van s'asseoir, Ned. en
Fr., in den vragend-ontkennenden vorm.
Vertaal: Waarom zit je niet, Betje? Waarom ben je niet
gaan zitten. Trijntje? (Antwoord): Ik zou zijn gaan zitten, als
al de andere meisjes ook gezeten hadden, maar die (Vert, zij)
zaten niet; toen hen ik ook niet gaan zitten. Ga dan nu {maar)
zitten, zeide haar vader tot haar. Nu {sXovs) ging zij zitten {\>. à.)
XXI.
Falloir (onp. ww.; noodig zijn).
Temps primitifs:
Noodig geweest = fallu.
Het is noodig, er is noodig, er zijn noodig = il faid.
Het was noodig, er was noodig, er waren noodig = il fallut.