Boekgegevens
Titel: Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Auteur: Thiel, L.L. van
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8268
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201899
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Werkwoorden, Vervoegingen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
XVffl.
Valoir (deugen, gelden, waard zijn).
Teynjys primitifs: valoir; valant; valu; je, vaux, tu vaux, il
vaut; je valus.
Verg. den vorm vaux van den stam val met den meervouds-
vorm der meeste zelfst. nw. op al.
In hoeverre stemmen deze grondtijden overeen met de
temps primitifs van vouloir?
Van de temps dérivés zijn de Ftdtir en de Cond. Prés. : je
vaudrai, etc., je vaudrais, etc.
De overige temps dérivés worden op de gewone wijze van
de temps primitifs gevormd, behoudens deze
Opmerking : Waar in den Subjonctif Présent het ww. in
de uitspraak eenlettergrepig wordt (de uitgang dus met eene
stomme e begint), wordt de 1 mouillée. (Hoe wordt die l
mouillée voorgesteld? Verg. bouillir).
Vorm nu den Subj. Prés. van valoir en vergelijk dien met
den Subj. Prés. van aller en van vouloir.
Schrijf nu de geheele vervoeging van valoir.
Bestudeer die en zeg ze uit het hoofd op.
Valoir mieux = beter zijn; vóór den eersten Infinitif, die
er op volgt niets, vóór den tweeden het voorzetsel de.
Niet deugen = niets waard zijn = ne valoir rien!
Geheel als valoir gaan équivaloir à (gelijkstaan met) en
revaloir (betaald zetten).
Prévaloir (de overhand hebben, zegevieren) en se prévaloir
de (zich laten voorstaan op) gaan ook als valoir, maar hebben
geen l mouillée in den Prés, du Subj,
Alle temps dérivés worden dus op de gewone wijze gevormd.
Schrijf nu den Prés. du Subj. van valoir, équivaloir, revaloir
en prévaloir naast elkaar.
Vertaal: Het is beter bedrogen te worden dan te bedriegen.
Dat deugt niet. Hij zal nooit iets (rien) waard zijn. Hoeveel