Boekgegevens
Titel: Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Auteur: Thiel, L.L. van
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8268
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201899
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Werkwoorden, Vervoegingen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Regelmatig en onregelmatig: de vervoeging der werkwoorden in het Fransch voor scholen met uitgebreid leerplan ...
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
XVII.
Vouloir (willen).
De temps primitifs zijn vouloir; voulant; voulu; je veux, tu
^ veux, il veut; je voulus, etc.
Waarin stemt het Sing. van den Ind. Prés. van vouloir
overeen met dat van pouvoir en waardoor verschilt het van
dat van mouvoir? (Verg. de vormen veus. en petΠmet het
meervoud der znw. en bv.nw. op eu).
Van de temps dérivés zijn de Futur en de Cond. Prés. : je
voudrai, etc., je voudrais, etc.
Bij de van het paH. prés, afgeleide vormen, merke men op :
1°. Als het ww. in de uitspraak eenlettergrepig wordt, dus
als de uitgang met eene stomme e begint, verandert de ou
in eu. (Verg. mourir, mouvoir en pouvoir),
2°. In den Présent du Subj. hebben de vormen met eu
tevens l mouillée. Hoe wordt die dan geschreven? (Verg. bouillir).
3°. De Impératif Pluriel, 2« persoon, is veuillez, als het
beteekent: heb{t) de goedheid.
Overigens worden de temps dérivés op de gewone wijze van
de temps primitifs gevormd.
Schrijf nu den 3®" pers. Plur. Prés. Ind. en den Prés, du Subj.
geheel.
Hoe is de Impératif, als wil beteekent héb den vasten tvil,
enz.?
Vervoeg nu het ww. vouloir geregeld in alle tijden.
Bestudeer het en zeg het op.
Het volt. deelw.: gewild wordt in 't Ned. vóór eene onb.
wijs vervangen door willen. In het Fransch is dit dan voulu.
Vertaal: Hij heeft het kunnen noch willen doen. (Vert.:
hij heeft noch gekund noch gewild het doen). Wil en je zult
kunnen. Heb(t) de goedheid mij dat hoek {eens) aan {te) reiken.
Ik zou haar niet hebben tvillen bezoeken (voir).