Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
DEELEND LIDWOORD.
53
j'ai lait de mon mieux. S'il
l'épouse, ce ne sera pas ma
faute. Mais cela n'a pas le
sens commun, et je ferai tout
pour l'empêcher.
Vous n'avez que le temps. (Il
[n'Jest [que] temps.)
Oui, il n'y a pas de temps à
perdre. (Je n'ai pas de temps
à perdre.)
J'ai idée qu'il finira par l'épouser
tout de même.
Eh bien, moi aussi je crois que
le mariage aura lieu.
er geen schuld aan; ik heb
mijn best gedaan. Trouwt
hij haar, dan is het mijn
schuld niet. Maar het is on-
zinnig en ik zal alles doen
om het te verhinderen.
Nu, het is hoog tijd.
Ja, er is geen tijd te verliezen.
(Ik heb geen tijd te ver-
liezen.)
Ik heb zoo'n idee, dat hij haar
toch zal trouwen.
Nu ja, ik geloof ook wel, dat het
huwelijk tot stand zal komen.
85.
Quel temps fait-il? Est-ce qu'il
fait beau temps?
Il ne fait pas beau. Il fait mau-
vais. Nous aurons de l'eau.
Il tombe de l'eau; il fait de la
pluie. 11 pleut déjà fort. Il
pleut à verse.
Oui, c'est une averse. Voilà
qu'il tombe de la neige à
présent.
Oui, en effet, i! neige ; non, c'est
de la grêle. Et puis, il fait
du vent; il fait un vent à
décorner les bœufs. Il fait un
temps affreux. Et puis, quel
froid ! (il fait un froid !)
Oui, il fait froid; il ne fait pas
chaud ici. Pourrais-je avoir
du fau dans la cheminée?
Mais certainement, il faut faire
du feu Il faut du charbon
et du bois bien sec.
Wat voor weer is het? Is het
mooi weer?
Het is geen mooi weer. Het is
slecht weer. We krijgen regen.
Er valt al regen. Het regent
reeds hard. Het stortregent.
Ja, 't is een stortbui. En kijk,
nu valt er weer sneeuw.
Ja, waarlijk, het sneeuwt; neen,
't is hagel. En daarbij is het
winderig; het waait verschrik-
kelijk. 't Is afschuwelijk weer.
En wat is het ook koud!
Ja, 't is koud; het is hier niet
warm. Zou ik wat vuur in
den haard mogen hebben?
Wel zeker, er moet vuur (de
kachel moet) aangemaakt wor-
den. We moeten wat kolen
en goed droog hout hebben.
2*