Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
DEELEND LIDWOORD.
A-t-il du pain blanc, du pain
noir (bis), de bon pain, de *
mauvais pain?
Il n'a pas de mauvais pain, il
n'en a que du " bon.
Ce n'est pas du pain, c'est de
la pâte. N'en avez-vous pas
d'autre ? Moi je veux du pain
bien cuit. Ceci est du pain
rassis.
Pardon, monsieur, ce n'est pas
du pain rassis, c'estidu pain
frais.
Ce pain n'a pas de goût.
C'est que le bon pain n'a pas de
goût (ne doit pas en avoir).
Heeft hij wittebrood, zwart
brood, goed brood, slecht
brood ?
Hij heeft geen slecht brood, hij
heeft alleen goed brood.
Dat is geen brood, dat is deeg
('t lijkt wel kleii. Heeft u geen
ander [brood] ? Ik houd van
goed doorbakken brood. Dit
is oudbakken brood.
Pardon, mijnheer, dat is geen
oudbakken brood, 't is versch
brood.
Dat brood heeft geen smaak.
Nu, goed brood heeft ook geen
smaak (moet geen smaak
hebben).
19.
Allons dîner. — Garçon, la
carte, s'il vous plaît.
Quel potage " désirent ces mes-
sieurs ?
Donnez-moi de la soupe " (une
soupe) aux choux.
A moi, un bouillon (consom-
mé)
Quel vin, messieurs?
Du vin ordinaire.
Moi je ne veux ni [du] vin ni
[du] potage
Comme plat de viande vous me
donnerez du bœuf [nature].
Qu'est-ce que vous avez en
fait de rôtis?
Nous avons du rosbif, du [rôti
de] veau, du poulet [rôti].
Laten we nu gaan eten (dinee-
ren). — Kelner, geef de spijs-
kaart eens.
Welke soep verlangen de heeren ?
Geef mij koolsoep.
En mij, bouillon.
Welken wijn, heeren?
Gewonen wijn.
Ik wil geen wijn en ook geen
soep.
Als vleesch moet je mij osse-
vleesch geven. Wat heb je
voor gebraden vleezen?
Wij hebben gebraden rund-
vleesch (rosbief), gebraden
kalfsvleesch [en] kip.
* Fam. du.
STORM, Fransche Spreekoefeningen. 2e druk.